Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW2235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
19-04-2006
Zaaknummer
200601574/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2006, kenmerk 2006000264, gewijzigd 28 maart 2006, heeft verweerder verzoekster lasten onder dwangsommen opgelegd wegens de overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:2
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2006/37 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/3449

Uitspraak

200601574/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], te [plaats], gemeente Midden-Delfland,

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2006, kenmerk 2006000264, gewijzigd 28 maart 2006, heeft verweerder verzoekster lasten onder dwangsommen opgelegd wegens de overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 februari 2006, bij rechtbank 's-Gravenhage ingekomen op 23 februari 2006, heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is doorgezonden naar de Raad van State.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 maart 2006, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. L.V. Morauw, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

   Ingevolge artikel 13 van de Wet bodembescherming is ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

2.2.    Verzoeker heeft betoogd dat de last onder dwangsom wegens de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming onvoldoende duidelijk is.

   De desbetreffende last onder dwangsom is gericht op het ongedaan maken van de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Verzoeker kan voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd door een bodemonderzoek te laten verrichten naar de omvang van de (chemische) bodemverontreiniging van de akkerbouwpercelen met de kadastrale aanduiding […], -[…], -[…], -[…] en –[…] te [plaats], gemeente Midden-Delfland. Gebleken is dat een dergelijk onderzoek inmiddels is verricht, zodat geen dwangsommen zullen worden verbeurd. Gelet hierop ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de last onder dwangsom wegens de overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming.

2.3.    Met betrekking tot de last onder dwangsom wegens de overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft verzoeker betoogd dat geen sprake is van een overtreding. Verder heeft hij betoogd dat deze last onder dwangsom onevenredig is en dat de begunstigingstermijn te kort is.

   Uit de verslagen van de milieucontroles op 3 mei 2005 en 30 augustus 2005 volgt dat artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is overtreden, aangezien in de bodem van eerdergenoemde akkerbouwpercelen substraatmatten met daarbij behorende slangetjes en doppen alsmede flacons van bestrijdingsmiddelen zijn aangetroffen.

Verweerder heeft verzoeker, onder oplegging van een dwangsom van € 160.000, gelast om deze overtreding binnen zes weken na verzending van het bestreden besluit ongedaan te maken door de bodem van de betrokken akkerbouwpercelen tot een diepte van dertig centimeter af te graven en te zeven.

   De Voorzitter stelt vast dat de verslagen van de milieucontroles op 3 mei 2005 en 30 augustus 2005 geen uitsluitsel geven over de precieze omvang van de verontreiniging van de bodem van de betrokken akkerbouwpercelen met substraatmatten met daarbij behorende slangetjes en doppen alsmede flacons van bestrijdingsmiddelen. Ook ter zitting heeft verweerder hierover geen uitsluitsel kunnen geven. De noodzaak om de betrokken akkerbouwpercelen, die een oppervlakte beslaan van ongeveer negen hectare, in hun geheel tot een diepte van dertig centimeter af te graven en te zeven, staat derhalve niet vast. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. Gelet hierop ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4.     Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland van 10 januari 2006, kenmerk 2006000264, gewijzigd 28 maart 2006, voor zover daarbij een last onder dwangsom is opgelegd wegens de overtreding van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 650,97 (zegge: zeshonderdvijftig euro en zevenennegentig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Midden-Delfland aan verzoeker onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Midden-Delfland aan verzoeker het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Jansen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

399.