Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200505728/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) appellant bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onder de voorwaarde dat de woning pas in gebruik mag worden genomen nadat conform de vergunning 2004-180 (verbouwen chauffeurswoning tot garage) is gebouwd.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/62
AB 2006, 348

Uitspraak

200505728/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/2496 en 05/2497 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) appellant bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) onder de voorwaarde dat de woning pas in gebruik mag worden genomen nadat conform de vergunning 2004-180 (verbouwen chauffeurswoning tot garage) is gebouwd.

Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de verleende vergunning in die zin gewijzigd dat de voorwaarde is vervangen door de voorwaarde dat met het bouwen van de woning pas een aanvang mag worden gemaakt nadat de voormalige chauffeurswoning in bouwkundig opzicht niet meer aangemerkt kan worden als woning. Het door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 8 november 2005 en 23 november 2005 heeft [partij], die te kennen heeft gegeven als partij aan het geding deel te willen nemen, een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. dr. K. Heede, advocaat te Noordwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Steen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan betreft het oprichten van een woonhuis met garage op het perceel. Het perceel is ingevolge het bestemmingsplan "Zuidduinen 1982" (hierna: het bestemmingsplan) bestemd als "vrijstaande woningen klasse C, W (v), C".

2.2.    Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de in het besluit op bezwaar gestelde voorwaarde dat met het bouwen van de woning pas een aanvang mag worden gemaakt nadat de voormalige chauffeurswoning in bouwkundig opzicht niet meer aangemerkt kan worden als woning niet aan voormelde bouwvergunning mocht worden verbonden, aangezien deze voorwaarde niet ertoe strekt om een met het bestemmingsplan strijdige situatie te voorkomen.

2.2.1.    Ingevolge artikel 56 van de Woningwet mogen burgemeester en wethouders aan de bouwvergunning slechts voorwaarden verbinden ter bescherming van de belangen, ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.

   Ingevolge artikel 1, onder q, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bebouwing met een hoofdgebouw of bij elkaar horende gebouwen is toegestaan.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan betekent de aanduiding "minimum inhoud in m³/ maximum inhoud in m³" dat de inhoud van een hoofdgebouw binnen het betreffende bebouwingsvlak uitgedrukt in kubieke meters niet minder mag bedragen dan het cijfer boven de horizontale streep en niet meer dan het cijfer beneden de horizontale streep binnen de op de kaart ingeschreven aanduiding.

   Op de plankaart staat binnen de ter plaatse ingeschreven aanduiding boven de horizontale streep het cijfer "400" en beneden de horizontale streep het cijfer "1000".

2.2.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij de beslissing op bezwaar gestelde voorwaarde ertoe strekt om de met het bestemmingsplan strijdige situatie, bestaande uit de aanwezigheid van twee woningen op hetzelfde bouwperceel, te voorkomen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat, indien twee woningen op hetzelfde perceel aanwezig zijn, de op grond van artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan toegestane maximale inhoud van 1000 m³ wordt overschreden.

   De chauffeurswoning en het woonhuis, waarvoor bouwvergunning is gevraagd, bevinden zich op hetzelfde bouwperceel. Uit de in artikel 3, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan omschreven aanduiding "minimum inhoud in m³/ maximum inhoud in m³" kan alleen worden afgeleid dat de inhoud van een hoofdgebouw binnen het aan de orde zijnde bebouwingsvlak niet meer dan 1000 m³ mag bedragen, maar niet dat de totale inhoud van hoofdgebouwen per bouwperceel ten hoogste 1000 m³ mag zijn. Hierom kan niet staande worden gehouden dat het bestemmingsplan eraan in de weg staat dat twee woningen op hetzelfde bouwperceel aanwezig zijn. De voorwaarde dat met het bouwen van de woning pas een aanvang mag worden gemaakt nadat de voormalige chauffeurswoning in bouwkundig opzicht niet meer aangemerkt kan worden als woning strekt er dan ook niet toe om een met het bestemmingsplan strijdige situatie te voorkomen en mocht derhalve, anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, gelet op het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet, niet aan de bouwvergunning worden verbonden. Het betoog van appellant slaagt.

2.3.    Gezien het voorgaande behoeft hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd geen bespreking meer.

2.4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 23 februari 2005 vernietigen, voor zover bij dit besluit de voorwaarde is gesteld dat met het bouwen van de woning pas een aanvang mag worden gemaakt nadat de voormalige chauffeurswoning in bouwkundig opzicht niet meer aangemerkt kan worden als woning. Het primaire besluit van 13 juli 2004 moet worden herroepen, voor zover bij dit besluit de voorwaarde is gesteld dat de woning pas in gebruik mag worden genomen nadat conform de vergunning 2004-180 (verbouwen chauffeurswoning tot garage) is gebouwd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 23 februari 2005, voor zover dit is vernietigd.

2.5.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2005, in zaak nos. AWB 05/2496 en 05/2497;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 23 februari 2005, kenmerk 20040095, voor zover bij dit besluit de voorwaarde is gesteld dat met het bouwen van de woning pas een aanvang mag worden gemaakt nadat de voormalige chauffeurswoning in bouwkundig opzicht niet meer aangemerkt kan worden als woning;

V.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 13 juli 2004, kenmerk 20040095, voor zover het de voorwaarde betreft dat de woning pas in gebruik mag worden genomen nadat conform de vergunning 2004-180 (verbouwen chauffeurswoning tot garage) is gebouwd;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van voormeld besluit van 23 februari 2005, voor zover dit is vernietigd;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Noordwijk aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Noordwijk aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

218-499.