Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200506378/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) appellant bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een chauffeurswoning met garage tot hobbyruimte met garage op het perceel [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506378/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Noordwijk,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/2807 en 05/2808 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk (hierna: het college) appellant bouwvergunning verleend voor het verbouwen van een chauffeurswoning met garage tot hobbyruimte met garage op het perceel [locatie] te Noordwijk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2004 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 26 mei 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brieven van 24 oktober 2005 en 23 november 2005 heeft [partij], die te kennen heeft gegeven als partij aan het geding deel te willen nemen, een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en van [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. dr. K. Heede, advocaat te Noordwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Steen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Zuidduinen 1982" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "vrijstaande woningen klasse C, W (v), C".

2.2. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de voormalige chauffeurswoning niet als bijgebouw kan worden beschouwd.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, onder q, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt onder bouwperceel verstaan een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bebouwing met een hoofdgebouw of bij elkaar horende gebouwen is toegestaan.

Ingevolge artikel 1, onder ij, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt, voor zover in de voorschriften niet uitdrukkelijk anders is bepaald, onder bijgebouw verstaan een huishoudelijke berg- of werkruimte dan wel een garage.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart als "vrijstaande woningen, klasse C, W (v), C" aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en tuinen.

2.2.2. In zijn aanvraag om bouwvergunning van 24 juni 2004 heeft appellant aangegeven dat het bouwplan het gedeeltelijk veranderen van de voormalige chauffeurswoning met garage naar een garage met hobbyruimte betreft. Voorts heeft appellant in die aanvraag vermeld dat het pand na uitvoering van de werkzaamheden als bijgebouw zal worden gebruikt.

Van onder meer het kadastrale perceel waarop de voormalige chauffeurswoning staat en het kadastrale perceel waarop appellant een woning wenst te bouwen is één bouwperceel gevormd. Anders dan appellant stelt, is deze woning derhalve op hetzelfde bouwperceel voorzien als de voormalige chauffeurswoning. De voorzieningenrechter heeft, gelet op artikel 1, onder ij, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan met juistheid geoordeeld dat het college de voormalige chauffeurswoning bij verbouwing zoals in het bouwplan is voorzien, terecht als bijgebouw heeft aangemerkt. Het betoog faalt.

2.3. Voorts betoogt appellant dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de voormalige chauffeurswoning op basis van het overgangsrecht mag worden veranderd.

2.3.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen bouwwerken welke op het tijdstip van tervisielegging in ontwerp van het plan reeds bestaan, in uitvoering zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een vergunning waarvoor de aanvraag vóór de tervisielegging is ingediend en welke afwijken van het plan geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en/of ten hoogste 10% worden uitgebreid, mits de afwijkingen naar de aard niet worden vergroot en geen nieuwe afwijkingen ontstaan.

Zoals blijkt uit het onder 2.2.1. overwogene dient de voormalige chauffeurswoning bij verbouwing zoals in het bouwplan voorzien, als bijgebouw te worden beschouwd. Aangezien door deze functiewijziging een nieuwe afwijking ontstaat, is het bouwplan in strijd met artikel 30, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college terecht de bouwvergunning heeft geweigerd.

2.4. Gezien het voorgaande behoeft hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd geen bespreking meer.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

218-499.