Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200506543/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Leek, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2005, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld, fase 1" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200506543/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leek,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Leek, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2005, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeksterveld, fase 1" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 juli 2005, kenmerk 2005-03964/27/B.4, RP, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 26 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2005, en appellante sub 2 bij brief van 8 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2005, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 25 oktober 2005.

Bij brief van 3 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2005, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn stukken ontvangen van appellant sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 november 2005 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2006, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door S.P. van Sloten, ambtenaar van de gemeente, en G.A. Krone, werkzaam bij Witteveen en Bos, appellante sub 2, vertegenwoordigd door [directeur] van appellante sub 2, en bijgestaan door mr. R. Reinsma, advocaat te Sneek, en verweerder, vertegenwoordigd door A.H. Wiechertjes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formele bezwaren        

2.3.    Appellante sub 2 voert als formeel bezwaar aan dat zij ten onrechte niet het woord heeft kunnen voeren bij het vaststellen van het bestemmingsplan tijdens de raadsvergadering van 31 januari 2005. Zij stelt dat er tijdens het overleg met de wethouder nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die tijdens de behandeling van de zienswijzen in de raadscommissie Ruimte op 12 januari 2005 nog niet bekend waren.

2.3.1.    Op 11 oktober 2004 is [appellante sub 2] tijdens een hoorzitting in de gelegenheid gesteld haar zienswijze nader mondeling toe te lichten. De Afdeling stelt vast dat in zoverre aan de wettelijk voorgeschreven procedure met betrekking tot de totstandkoming van het bestemmingsplan, zoals beschreven in artikel 23, eerste lid, onder d, van de WRO, is voldaan. De WRO voorziet niet in een nadere mogelijkheid te worden gehoord tijdens de raadsvergadering waarin het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Ook uit een oogpunt van zorgvuldigheid bestond hiertoe in dit geval geen aanleiding. Overigens is gebleken dat tijdens de vergadering van de raadscommissie Ruimte van 12 januari 2005 [appellante sub 2] nogmaals het woord heeft kunnen voeren.

2.4.    [appellante sub 2] voert voorts als formeel bezwaar aan dat de commissie bestemmingsplannen van de provinciale commissie voor omgevingsbeleid  ten onrechte voorafgaand aan de hoorzitting bij verweerder op 2 juni 2005 bij brief van 11 mei 2005 heeft geadviseerd de bedenkingen van [appellante sub 2] ongegrond te verklaren.

2.4.1.    Het bestreden besluit is in zoverre tot stand gekomen met toepassing van de procedure ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO. De Afdeling overweegt dat op grond van deze wet noch anderszins een verplichting bestaat voor de commissie bestemmingsplannen van de provinciale commissie voor omgevingsbeleid om bij het uitbrengen van het advies de hoorzitting bij gedeputeerde staten af te wachten.

Het bestemmingsplan

2.5.    Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg van de eerste fase van een (boven)regionaal gemengd bedrijventerrein ten noorden van Leek, langs de A7, met een uitgeefbare oppervlakte van ongeveer 22 hectare.

Ten aanzien van kantoren

Het standpunt van verweerder

2.6.    Verweerder heeft artikel 3, eerste lid, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften en het daarbij behorende onderdeel 74 van de van de voorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder is het toelaten van kantoren in strijd met het provinciale beleid binnen de economische kernzone Groningen-Assen. Gelet op het karakter van de kantoren en de omvang per kantoor waarop het bestemmingsplan zich richt, zou naar de mening van verweerder eerst gekeken moeten worden in hoeverre hiervoor binnen het bestaande stedelijke gebied ruimte kan worden gevonden.

Het standpunt van appellant sub 1 (hierna: het college)

2.7.    Het college stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan deze planonderdelen. Naar zijn mening is de bestemmingsregeling niet in strijd met het provinciale beleid en voorkomt de beschrijving in hoofdlijnen dat de door verweerder gevreesde ontwikkeling zich zal voordoen.

De vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.9.    In de Regiovisie Groningen-Assen 2030 "Van visie naar uitwerking" (hierna: de Regiovisie), vastgesteld door de Stuurgroep Regiovisie Groningen-Assen 2030 op 14 juni 1999, is onder meer opgenomen dat de bedrijventerreinen bij Leek/Roden-Groningen voor de korte en de lange termijn zullen worden afgestemd. Voorts heeft nadere studie uitgewezen dat ten behoeve van de (boven-)regionale bedrijvigheid de aanleg van een nieuw bedrijventerrein ten noorden van de A7 bij Leek de beste locatie is om invulling te geven aan de schragende functie van Leek/Roden, aldus de Regiovisie.

Volgens de geactualiseerde Regiovisie van 29 november 2004 worden in Groningen en Assen drie grootschalige kantoorlocaties gevestigd. Volgens de Regiovisie zijn decentrale kantoorlocaties, kleinere stedelijke locaties en combinaties van wonen en werken in stadswijken of bij grotere kernen voor de regionale economische ontwikkeling een belangrijke aanvulling op de grotere locaties. Voorts is hierin opgenomen dat in de steden Groningen en Assen voldoende mogelijkheden zijn om in te spelen op de behoefte aan kantoorruimte. Verder zijn voor de uitbreiding de intensiveringszones langs de hoofdinfrastructuur in Groningen en Assen in beeld. Mocht de vraag nog groter worden dan de nu voorziene ruimte, dan kan er aanvullende kantoorruimte worden gevonden in Groningen en Assen.

2.10.    In het Provinciaal Omgevingsplan (hierna: het POP) van 14 december 2000 is het plangebied aangeduid als "bovenregionaal bedrijventerrein in de categorie gemengd" en als "nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein". Volgens het POP wordt in het kader van het thema "Ondernemend Groningen" gestreefd naar het samengaan van economie en omgeving. Bedrijventerreinen zijn duurzaam ingericht en ingepast in de omgeving. Stuwende bedrijvigheid dient geconcentreerd te worden op bedrijventerreinen in de economische kernzones: Leek-Groningen-Assen-Hoogezand-Veendam-Winschoten langs de snelwegen A7 en A28 en bij de haventerreinen van Delfzijl en de Eemshaven. Grote kantoorlocaties zijn alleen mogelijk in de gemeente Groningen. Op andere plaatsen binnen de economische kernzones is alleen ruimte voor kleinere kantoorlocaties voor bedrijven met een regionaal verzorgende functie. Naast de ruimtelijke bundeling is ook een zeker functioneel onderscheid binnen de kerngebieden en tussen de bovenregionale bedrijventerreinen gewenst om optimaal op de specifieke voorkeuren van de diverse bedrijfssectoren in te kunnen spelen. Leek en Hoogezand-Sappemeer worden in dit verband genoemd om aanvullend aan Groningen mogelijkheden te bieden voor bedrijven uit diverse sectoren op gemengde bedrijventerreinen.

Naast de behandeling van de beleidsuitgangspunten aan de hand van thema's worden ook regioperspectieven gegeven die als uitgangspunt zullen dienen bij gebiedsgerichte uitwerkingen. Voor West-Groningen (waarbinnen Leek ligt) zijn de volgende uitgangspunten van belang:

-invullen van de economische kernzone Groningen-Assen: wonen en werken concentreren in de schragende kern Leek waarbij lintvorming van bedrijventerreinen langs de A7 wordt voorkomen;

-Leek heeft als grootste kern in het gebied een ondersteunende functie voor de regio en de stad Groningen en maakt deel uit van de economische kernzone Groningen-Assen.

-verbeteren van de verkeersstructuur van Leek, Marum en Noordenveld in combinatie met het uitvoeren van een planstudie naar de westelijke rondweg.

2.11.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen bebouwingsvlakken met de aanduiding B1, B2 en B3 bestemd voor zelfstandige kantoren, voor zover deze regionaal of lokaal georiënteerd zijn met een bruto vloeroppervlak van maximaal 2500 m2.

Volgens de beschrijving in hoofdlijnen, die is opgenomen in artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften, is het bedrijventerrein met name bedoeld voor arbeidsextensieve bedrijven uit de regio die niet (meer) thuishoren op lokale bedrijventerreinen. Daarnaast is het bedrijventerrein Leeksterveld fase 1 aangemerkt als potentieel vestigingsgebied voor bijzonder stuwende (arbeidsextensieve) bedrijven met een grote ruimtebehoefte, die prijs stellen op een 'groen' vestigingsmilieu in een landelijk gebied, aldus de beschrijving in hoofdlijnen.

2.12.    In de Staat van Bedrijfsactiviteiten is opgenomen: "74. Overige zakelijke dienstverlening: kantoren".

Het oordeel van de Afdeling

2.13.    Uit het onder 2.9 en 2.10 opgenomen beleid blijkt dat op grond van het provinciale beleid grote kantoorlocaties alleen mogelijk zijn in Groningen en Assen. In de economische kernzone Leek is alleen ruimte voor een kleinere kantoorlocatie met bedrijven met een regionaal verzorgende functie.

Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

2.14.    De Afdeling stelt vast dat op grond van het artikel 3, eerste lid, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften de vestiging van 22 hectare aan zelfstandige kantoren mogelijk is.

De Afdeling overweegt dat dit niet in strijd is met de beschrijving in hoofdlijnen als weergegeven in artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften, nog daargelaten dat deze beschrijving in hoofdlijnen, gelet op de bewoordingen, niet kan gelden als toetsingskader voor aanvragen om een bouwvergunning. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat artikel 3, tweede lid, van de planvoorschriften niet in de weg staat aan de vestiging van 22 hectare aan zelfstandige kantoren.

2.15.    Hoewel in de (geactualiseerde) Regiovisie en het POP de betekenis van "kleine kantoorlocatie" niet is uitgewerkt, heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat bij 22 hectare niet meer kan worden gesproken van een kleinere locatie als bedoeld in het onder 2.9 en 2.10 opgenomen provinciale beleid. Van bijzondere omstandigheden naar aanleiding waarvan verweerder in dit geval aanleiding had moeten zien af te wijken van zijn beleid, is niet gebleken.

2.16.    Verweerder heeft zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 3, eerste lid, vierde gedachtestreepje, van de planvoorschriften, en het daarbij behorende onderdeel 74 van de van de voorschriften deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen het college heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan deze planonderdelen.

Het beroep van het college is in zoverre ongegrond.

Ten aanzien van detailhandel

Het standpunt van verweerder

2.17.    Verweerder heeft artikel 8, zevende lid, onder a en c, van de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft hieraan goedkeuring onthouden. Volgens verweerder leidt de vrijstellingsmogelijkheid die op basis van dit voorschrift wordt geboden tot het uitwaaieren van detailhandel aan de randen van het stedelijk gebied en versnippering van vestigingslocaties. Dit wordt door hem in strijd met het provinciale beleid geacht.

Het standpunt van het college

2.18.    Het college stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan artikel 8, zevende lid, onder a en c, van de planvoorschriften. Naar zijn mening is de vrijstellingsregeling niet in strijd met het provinciale beleid en voorkomt de vrijstellingsbepaling nu juist dat de door verweerder gevreesde ontwikkeling zich zal voordoen, aangezien daarvan slechts bij uitzondering gebruik kan worden gemaakt.

De vaststelling van de feiten

2.19.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.20.    Ten aanzien van winkelvoorzieningen en detailhandel is in het POP het volgende opgenomen:

"Detailhandel dient in beginsel plaats te vinden in of aansluitend aan bestaande en geplande winkelgebieden. Weilandwinkels zijn uitgesloten. Een uitzondering kan worden gemaakt voor bepaalde branches. Het gaat daarbij om winkelformules die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling (auto's, boten en caravans, tuincentra, bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair, als ook woninginrichting waaronder meubels). Daardoor kunnen deze branches niet in het centrum worden geplaatst, maar moeten ze op een perifere locatie worden gevestigd. Bij perifere detailhandelsvestigingen met een oppervlakte van meer dan 1500 m2 staan wij concentratie voor op daartoe geschikte bedrijventerreinen bij Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Delfzijl, Veendam, Winschoten en Stadskanaal. Detailhandel heeft een ander karakter dan op terreinen aanwezige bedrijven en zou daarom alleen na een nadere afweging mogen worden toegestaan op bedrijventerreinen. Om een ongestructureerd uitwaaieren van detailhandel over stadsrandzones te voorkomen en in verband met het parkeer- en locatiebeleid nodigen wij gemeenten uit een visie op te stellen voor perifere vestiging van detailhandel."

2.21.    Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het verboden de gronden of bouwwerken binnen het plangebied te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de op de kaart aangewezen bestemmingen en deze voorschriften.

   Ingevolge het vijfde lid wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in lid 1 in elk geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de verkoop van consumptie- en verbruiksgoederen die rechtstreeks aan de consument worden geleverd, met uitzondering van de uitoefening van detailhandel in goederen die ter plaatse worden geproduceerd.

   Ingevolge het zevende lid zijn burgemeester en wethouders bevoegd binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 5 ten behoeve van de volgende detailhandelsactiviteiten:

a. detailhandel in auto's, boten, caravans en landbouwwerktuigen;

b. detailhandel in brand en explosiegevaarlijke stoffen, uitsluitend op de bebouwingsvlakken B2 en B3;

c. detailhandel die vanwege aard en omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling.

Het bruto bedrijfsoppervlak van de onder a, b en c genoemde detailhandelsvestigingen mag per vestiging niet meer dan 1500 m2 bedragen.

2.22.    Op 14 juni 2005 heeft het college de nota Perifere detailhandel vastgesteld, waarin een voorkeur wordt uitgesproken voor vestiging van perifere detailhandel op het bedrijventerrein Leek. Leeksterveld komt als vestigingslocatie pas in beeld, indien zowel in het centrumgebied van Leek als op het bedrijventerrein Leek geen geschikte locatie voorhanden is, aldus de nota.

Het oordeel van de Afdeling

2.23.     De Afdeling stelt vast dat het in artikel 8, zevende lid, van de planvoorschriften opgenomen vereiste dat het bruto bedrijfsoppervlak per vestiging niet meer dan 1500 m2 mag bedragen, aansluit bij het POP. Pas bij detailhandelsvestigingen met een oppervlakte van meer dan 1500 m2 staat het POP, zoals weergegeven in overweging 2.20, concentratie voor op daartoe geschikte bedrijventerreinen bij Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Delfzijl, Veendam, Winschoten en Stadskanaal.

   Voorts is de vestiging van detailhandel, anders dan de vestiging van kantoren, enkel mogelijk na het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 8, zevende lid, van de planvoorschriften. Het college heeft blijk gegeven van een nadere afweging als bedoeld in het POP door het onverplicht opstellen van een nota perifere detailhandel. Aan het feit dat deze nota pas na de vaststelling van het bestemmingsplan is opgesteld, komt, mede gezien het feit dat de nota is opgesteld voordat verweerder zijn besluit nam, geen betekenis toe. Uit de nota volgt dat het verlenen van vrijstelling aan voorwaarden is gebonden. Gelet hierop is niet zonder nadere motivering houdbaar het oordeel van verweerder dat het opnemen van de vrijstellingsmogelijkheid strijdt met een goede ruimtelijke ordening.

2.24.    Gelet op het vorenstaande ontbeert het besluit van verweerder, voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 8, zevende lid, onder a en c, van de planvoorschriften, een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2]

Het standpunt van [appellante sub 2]

2.25.    [appellante sub 2] stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduidingen "B1" en "B2" binnen een straal van 300 meter vanaf het centrale punt in de kweekhal van haar palingkwekerij. Volgens [appellante sub 2] dient deze afstand te worden aangehouden om schadelijke effecten op haar bedrijfsvoering te voorkomen. Zij stelt juist naar de huidige locatie aan de [locatie] te zijn verhuisd in verband met de op de oude locatie ondervonden trillingshinder.

Het standpunt van verweerder

2.26.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Het kan niet nauwkeurig worden bepaald of, en zo ja, in welke mate het belang van [appellante sub 2] het rechtvaardigt dat een zone rondom haar bedrijf wordt gevrijwaard van trillingveroorzakende bedrijfsactiviteiten, aldus verweerder. Volgens verweerder kan derhalve niet worden gezegd dat de gemeenteraad met de bestemmingsregeling en de toegezegde maatregelen onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van [appellante sub 2]. Ten aanzien van de verhuizing van het bedrijf heeft verweerder onder meer overwogen dat van [appellante sub 2] mocht worden verwacht dat zij onderzoek zou doen naar mogelijke toekomstige belemmeringen voor de bedrijfsvoering.

De vaststelling van de feiten

2.27.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.28.    In het Omgevingsplan Regio Groningen (hierna: het ORG), waarvan het ontwerp van 26 mei 1998 tot 20 juni 1998 ter inzage heeft gelegen, is Leeksterveld reeds als potentiële bedrijvenlocatie opgenomen. In de milieueffectrapportage die ten behoeve van het ORG is opgesteld, is Leeksterveld als "waarschijnlijke ontwikkelingsrichting bedrijventerrein" aangemerkt en is de aanduiding "ontwikkeling bedrijventerrein na 2005" opgenomen. Het ORG is vastgesteld op 16 december 1998 door provinciale staten van de provincie Groningen.

2.29.    [appellante sub 2] heeft op 1 april 1999 haar bedrijfsperceel op de [locatie] in Leek aangekocht en vervolgens haar bedrijfsactiviteiten verplaatst van Marum naar Leek.

2.30.    De bestreden aanduiding "B1" is op de plankaart voorzien op een afstand van ongeveer 95 meter van de op het perceel van [appellante sub 2] aanwezige bedrijfsbebouwing.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften kunnen ter plaatse bedrijven worden gevestigd behorend tot de milieucategorie 1 en 2, met dien verstande dat op de bouwpercelen die op de [locatie] worden ontsloten alleen bedrijven kunnen worden gevestigd waarbij de verkeersaantrekkende werking laag is.

2.31.    Op ongeveer 175 meter van de bedrijfsbebouwing van [appellante sub 2] is de bestreden aanduiding "B2" voorzien.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is op de betreffende gronden de vestiging van bedrijven behorend tot de milieucategorieën 1 tot en met 3 toelaatbaar.

2.32.    Het gemeentebestuur heeft ingenieursbureau Witteveen en Bos opdracht gegeven te onderzoeken of de realisatie van het plan redelijkerwijs kan leiden tot schade in de productie van palingen bij [appellante sub 2]. Het onderzoek is verricht op basis van een indicatie van de te verwachten maximale geluids- en trillingsniveaus, een beknopte literatuurstudie en enkele interviews. Er hebben geen geluids- of trillingsmetingen op of rond het terrein van [appellante sub 2] plaatsgevonden.

In het rapport van 26 april 2005 van deze zogenoemde "quick-scan beoordeling" is, voor zover thans van belang, opgenomen:

"Uit de quick-scan blijkt dat er geen duidelijke dosis effect relatie bekend is tussen het geluidniveau en het trillingniveau bij een palingkwekerij en de kans op stress en als gevolg daarvan verminderde groei. Daarmee heeft de beoordeling van de kans op negatieve effecten tijdens de aanleg en gebruiksfase een bepaalde onzekerheid. (…).

Door verschillende deskundigen wordt verwacht dat het aanbieden van een trillingsdosis (met voldoende sterkte en gedurende langere tijd) er toe zal leiden dat de groei van palingen negatief zal worden beïnvloed. Dit zonder dat daartoe (voor zover thans bekend) specifiek gerichte experimenten zijn uitgevoerd. Ook wordt niet ingegaan of het verwachte effect optreedt bij een constante dosis en of er verschil is tussen het aanbieden van een dosis gedurende een korte termijn (uitsluitend in de dagperiode) of gedurende het gehele etmaal. (…).

In de aanlegfase kan er ten opzichte van de huidige situatie een verslechtering worden geconstateerd. Indien heiwerkzaamheden worden toegepast op korte afstand van [appellante sub 2] dan kan niet worden uitgesloten dat daarbij tijdens werkdagen en uitsluitend in de dagperiode er gevolgen zullen zijn. Globaal kan worden gesteld dat deze negatieve gevolgen zich kunnen voordoen indien heiwerkzaamheden (worst case situatie, zonder dat daaraan nadere eisen worden gesteld) zich voordoen binnen een afstand van 200 meter vanaf de gevel van de grote hal waarin de kweekbakken staan opgesteld. Omdat de lokale grondslag onvoldoende gedetailleerd bekend is, kan niet worden gesteld dat deze negatieve effecten ook daadwerkelijk zullen optreden.

Aan de gemeente Leek wordt geadviseerd om bij de grondverkoop en de verlening van bouwvergunningen vast te leggen dat toekomstige bedrijven die binnen een straal van 200 meter van [appellante sub 2] worden gevestigd, aantonen dat bij deze bouw geen relevante trillingen optreden. Zonodig moeten de eigenaren/bouwers trillingsarme funderingstechnieken toepassen. Een en ander kan privaatrechtelijk worden vastgelegd."

2.32.1.    Bij brief van 12 mei 2005, gericht aan [appellante sub 2], heeft het college met dit advies ingestemd en de intentie uitgesproken om voor de gronden gelegen binnen een straal van 200 meter van [appellante sub 2] langs privaatrechtelijke weg een voorziening te treffen om eventuele trillingshinder te voorkomen en voor in opdracht van de gemeente uit te voeren werkzaamheden in het kader van de aanbesteding een voorziening te treffen.

2.33.    In reactie op deze quickscan-beoordeling heeft [appellante sub 2] aan ingenieursbureau Oranjewoud de opdracht gegeven de quickscan-beoordeling aan een beschouwing te onderwerpen. Total Technical Solutions (hierna: TTS) is vervolgens door Oranjewoud verzocht in een verkennend onderzoek een indicatie te geven van de trillingsgevoeligheid van paling in kweekbakken, in aanmerking nemende de richtlijn "Trillingen" van de Stichting Bouwresearch (hierna: de SBR-richtlijn).

TTS heeft op 30 mei 2005 een rapport uitgebracht, getiteld "Bepaling trillingsgevoeligheid paling ten opzichte van de voor de mens gehanteerde richtlijn trillingen". In het rapport is het volgende opgenomen:

"Onderzocht is het gedrag van de paling op het aspect van de opname van voedsel onder invloed van sinusvormige trillingen. (…)

De opname van voedsel door palingen wordt verstoord indien sinusvormige trillingen van 32 en 40 Hz worden aangeboden. (…).

Alle verrichte onderzoeken (lees: alle door TTS verrichte onderzoeken) zijn verkennende studies geweest naar de trillingsgevoeligheid van paling. Het ligt voor de hand dat de paling niet bij alle frequenties even gevoelig zal zijn. Dit is echter niet volledig onderzocht. De onderzochte waarden van 32 en 40 Hz zijn echter frequenties die regelmatig op zullen treden bij heiwerkzaamheden en bij wegverkeer.

Meer uitgebreide studies en onderzoeken zijn nodig om het exacte gedrag van paling in kaart te brengen. Vanuit deze verkennende studie lijkt het gemiddelde gewicht van de paling eveneens een rol te spelen in de trillingsgevoeligheid. Het onderzoek had echter tot doel om in een verkennend onderzoek een indicatie te geven van de trillingsgevoeligheid van paling in vergelijking tot de SBR-richtlijn die voor mensen geldt."

2.34.    Bij brief van 28 juni 2005 hebben Witteveen en Bos gereageerd op het door TTS uitgevoerde onderzoek. Zij stellen daarin onder meer:

"Naast enkele technische beperkingen is het grootste manco van het door TTS uitgevoerde onderzoek dat het onderzoek is gericht op een directe reactie van paling op trillingen. Het gaat hierbij om de drempelwaarde voor acute stress. De trillingsbron wordt aangezet, de paling reageert op enig moment en de trillingsbron wordt weer uitgezet. De reactie is dan mogelijk te wijten aan een plotselinge verandering van situatie. Vergelijkbaar met het open doen van een deur in een tuin, waarna de vogels opvliegen. Het waarnemen van de trilling op zich leidt dan tot een verandering van gedrag, namelijk het 'wegduiken'. Gewenning kan echter leiden tot het oppakken van het normale voedselopnamepatroon. (…).

De te beantwoorden vraag is echter vooral wat er gebeurt als palingen gedurende een langere tijd (bijvoorbeeld een maand of meer) worden blootgesteld aan representatieve trillingsdosis. (…)."

Witteveen en Bos concluderen dat uit het rapport van TTS, net als uit hun eigen rapport van de quickscan-beoordeling van 26 april 2005, blijkt dat er geen dosis-effect relaties zijn die zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waarbij de effecten van trilling op paling op voldoende lange duur zijn onderbouwd. Omdat volgens Witteveen en Bos uit het onderzoek van TTS is gebleken dat het op wetenschappelijke basis vaststellen van een goede dosis-effect relatie geen eenvoudige zaak is, is het volgens hen in de gegeven situatie nog steeds redelijk om uit te gaan van de uitgangspunten en conclusies uit de quickscan-beoordeling.

2.35.    Bij brief van 21 september 2005 heeft Oranjewoud gereageerd op de brief van 28 juni 2005 van Witteveen en Bos. Oranjewoud stelt dat wanneer de verwachte trillingsniveaus ten gevolge van de aanleg en het gebruik van het nieuwe bedrijventerrein worden gerelateerd aan de trillingsgevoeligheid van palingen, de verwachte trillingsniveaus van vrijwel alle activiteiten de grens van de SBR-richtlijn overschrijden. Ten aanzien van heiwerkzaamheden dient volgens Oranjewoud een afstand van 275 meter te worden aangehouden.

2.36.    Bij brief van 30 januari 2006 heeft het college laten weten een  Functioneel Programma van Eisen (hierna: FPvE) voor het bedrijventerrein te hebben vastgesteld op 24 januari 2006. Het FPvE bevat de eisen en randvoorwaarden voor het ontwerp en de realisatie van de eerste fase van het bedrijventerrein. Hierin is als eis opgenomen dat de werkzaamheden ten behoeve van het bouw- en woonrijp maken van het bedrijventerrein trillingvrij uitgevoerd dienen te worden. De gronden gelegen binnen een straal van 200 meter rond de centrale kweekhal van de palingkwekerij zijn in dit kader als bijzonder aandachtsgebied aangemerkt.  

Het oordeel van de Afdeling

2.37.    Ten aanzien van de stelling van [appellante sub 2] dat zij juist naar de locatie aan de [locatie] is verhuisd in verband met de op de oude locatie ondervonden trillingshinder, overweegt de Afdeling het volgende.

Reeds na vaststelling van het ORG, derhalve in december 1998, had aan [appellante sub 2] bekend kunnen zijn dat er een mogelijkheid bestond dat in de onmiddellijke nabijheid van de nieuwe locatie van haar bedrijf een bedrijventerrein zou worden ontwikkeld, zoals uiteengezet in overweging 2.28. De stelling van [appellante sub 2], wat hier ook van zij, dat voormalig wethouder Rodenboog van deze mogelijkheid in een overleg geen melding heeft gemaakt, doet hier niet aan af.

2.38.    Met betrekking tot de vrees van [appellante sub 2] voor trillingshinder heeft verweerder terecht overwogen dat de vraag centraal staat of de activiteiten van de bedrijven die zich ingevolge het bestemmingsplan binnen een straal van 300 meter vanaf het centrale punt in de kweekhal van de palingkwekerij kunnen vestigen zodanige trillingen ter plaatse van de kwekerij kunnen veroorzaken, dat dit leidt tot verminderde groei van de palingen en dat daardoor de bedrijfsresultaten negatief worden beïnvloed.

2.39.    Niet in geding is dat ten aanzien van trillingshinder voor palingen geen normen of richtlijnen bestaan. Voorts is niet in geding dat er geen gegevens beschikbaar zijn op basis waarvan betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over de zogenoemde "dosis-effectrelatie" tussen het trillingsniveau bij een palingkwekerij en de kans op stress en als gevolg daarvan verminderde groei.

2.40.    Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het gemeentebestuur en verweerder, onder de in overweging 2.39 weergegeven omstandigheden, zich voldoende rekenschap hebben gegeven van de belangen van [appellante sub 2]. De afstand tussen het bedrijf van [appellante sub 2] enerzijds en bedrijven in de categorie "B1" en categorie "B2" anderzijds is ongeveer 95 respectievelijk 175 meter. Daarnaast is in de planvoorschriften opgenomen dat op de bouwpercelen die op de [locatie] worden ontsloten alleen bedrijven mogen worden gevestigd waarbij de verkeersaantrekkende werking laag is. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat uit het in 2.33 en 2.34 overwogene volgt dat TTS een beperkt onderzoek heeft uitgevoerd, waaruit, net als uit het rapport van Witteveen en Bos, geen stellige conclusies getrokken kunnen worden over de dosis-effectrelatie, op de door [appellante sub 2] aangegeven afstand van minder dan 300 meter, tussen trilling enerzijds en stress en verminderde groei anderzijds. De Afdeling ziet onvoldoende grond om te oordelen dat uit het rapport van TTS volgt dat aan het onderzoek van Witteveen en Bos zodanige gebreken kleven dat verweerder zich daarop niet kon baseren. Voorts heeft [appellante sub 2] geen nadere onderbouwing, bijvoorbeeld door het overleggen van bedrijfsresultaten uit de tijd dat het bedrijf in Marum was gevestigd, geleverd van haar stelling dat door de vestiging van bedrijven op het bedrijventerrein haar bedrijfsbelangen in belangrijke mate zullen worden aangetast.

Het is voorts, gelet op het in 2.36 overwogene, voldoende verzekerd dat in de aanlegfase de bouwwerkzaamheden binnen een straal van 200 meter rondom het bedrijf van [appellante sub 2] trillingvrij zullen worden uitgevoerd.

2.41.    Verweerder heeft zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel.

Het beroep van [appellante sub 2] is derhalve ongegrond.

Proceskosten

2.42.    Ten aanzien van het college is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellante sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders, voor zover het zich richt tegen de onthouding van goedkeuring aan artikel 8, zevende lid, onder a en c, van de planvoorschriften, gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 5 juli 2005, kenmerk 2005-03964/27/B.4, RP, voor zover bij dit besluit goedkeuring is onthouden aan artikel 8, zevende lid, onder a en c, van de planvoorschriften;

III.    verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders voor het overige en het beroep van [appellante sub 2] geheel ongegrond;

IV.    gelast dat de provincie Groningen aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leek het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Neuwahl

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

280-463.