Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200505555/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "T-Mobile B.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antenne-installatie ten behoeve van het mobiele netwerk op het perceel Oosterweg 4c te Heemskerk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505555/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], en anderen,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04-1459 van de rechtbank Haarlem van 20 mei 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "T-Mobile B.V." (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een antenne-installatie ten behoeve van het mobiele netwerk op het perceel Oosterweg 4c te Heemskerk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 juli 2004 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2005, verzonden op 25 mei 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 september 2005 heeft vergunninghoudster een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door G. Lukken, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2.    Overwegingen

2.1.    De grief van appellanten dat de rechtbank ten onrechte hun klacht dat zij onvoldoende bij de voorfase van de besluitvorming zijn betrokken niet heeft gehonoreerd slaagt niet, reeds omdat hun door het college voorafgaande aan de beslissing op bezwaar ruimschoots de gelegenheid is geboden om hun bezwaren met betrekking tot het bouwplan naar voren te brengen.

2.2.    Het bouwplan betreft de bouw van een verzinkt stalen vakwerkmast, voorzien van een antenne-installatie met een totale hoogte, inclusief antennes, van 39,5 meter. Het bouwplan is gesitueerd in de noordwestelijke hoek van het parkeerterrein van Sportpark De Vlotter. De installatie is voorzien van een 2,5 meter hoge omheining. De totale oppervlakte van de installatie, inclusief omheining, bedraagt 45 m2.

2.3.    Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Sportpark De Vlotter".

2.4.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), voor zover hier van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan het college.

   Ingevolge het vierde lid van artikel 19 van de WRO, voor zover hier van belang, wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid van de WRO is herzien, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

2.5.    Bij besluit van 25 september 2003 heeft de raad van de gemeente Heemskerk (hierna: de raad) besloten akkoord te gaan met het starten van de vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en de verdere afhandeling van de vrijstellingsprocedure te delegeren aan het college. Bij besluit van 27 november 2003, in werking getreden op 10 december 2003, heeft de raad met het oog op het bouwplan voor het perceel een voorbereidingsbesluit genomen. Bij besluit van 16 januari 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord Holland de vereiste verklaring van geen bezwaar afgegeven.

2.6.    Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de door het college gegeven ruimtelijke onderbouwing voor het project voldoet aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld.

   Blijkens de beslissing op bezwaar wordt de ruimtelijke onderbouwing voor het project gevormd door de gemeentelijke nota "Nota beleidsregels voor plaatsing van antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie", vastgesteld bij raadsbesluit van 29 juni 2000, (hierna: GSM-beleid). In dit beleid zijn regels en richtlijnen neergelegd voor het stedenbouwkundig en maatschappelijk inpassen van antenne-installaties in het landschap en de bebouwde omgeving.

   Bij noodzakelijke plaatsing in een gebied met een open en/of landelijk karakter of een groengebied, ter voldoening aan de verplichting van telecommunicatiebedrijven om landelijke dekking te bieden, geldt als richtlijn dat zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij bestaande bebouwde elementen, bijvoorbeeld wegaansluitingen en nutsgebouwen. Indien een antenne-installatie niet op een dakopbouw van een bestaand gebouw kan worden geplaatst, dienen de minimale horizontale en minimale verticale in acht te nemen afstanden respectievelijk 15 meter en 5 meter te bedragen. De maximale bouwhoogte van een vrijstaande antenne-mast bedraagt 40 meter. Voorts is in het beleid bepaald dat aparte opstelpunten in de vorm van een separate mast zonder hinderlijke overlast onder meer kunnen worden gerealiseerd op de locatie Sportpark De Vlotter. In alle gevallen geldt dat bij de beoordeling of vrijstelling kan worden verleend, uitdrukkelijk wordt meegenomen of er een alternatief beschikbaar is of te zijner tijd komt.

   De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwwerk met bovengenoemde richtlijnen in overeenstemming is.

   Met betrekking tot het betoog van appellanten dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de vrijstelling, overweegt de Afdeling het volgende. Vooropgesteld zij dat de afweging van de bij het besluit betrokken belangen een taak is van het bestuursorgaan en dat de uitkomst van die belangenafweging door de bestuursrechter slechts terughoudend dient te worden getoetst.

   Bij de keuze van de locatie voor de antenne-installatie is onder meer in aanmerking genomen dat deze is gelegen aan de rand van het sportterrein, nabij de Oosterweg en goed bereikbaar is voor onderhoud en reparaties. Voorts is in aanmerking genomen dat, zoals ook door appellanten ter zitting is erkend, vooralsnog niet wetenschappelijk is bewezen dat een antenne-installatie op een locatie gelegen op ongeveer 60 meter afstand van de dichtstbijzijnde woning, gezondheidsrisico's met zich brengt. Ook behoeven voor het bouwplan geen groenvoorzieningen en bomen te worden verwijderd.

De stelling van appellanten dat het college de beschikbaarheid van een alternatief onvoldoende heeft onderzocht, kan niet worden onderschreven. Het college heeft bij de beoordeling of vrijstelling kon worden verleend aandacht besteed aan de mogelijkheid tot plaatsing van de antenne-installatie aan de andere zijde van het sportpark, op grotere afstand van de woningen van appellanten. Daarbij is overwogen dat het belang van appellanten bij minder zicht op de antenne-installatie niet opweegt tegen de aan deze locatie verbonden nadelen, zoals een grotere afstand tot het met de mast beoogde dekkingsgebied, slechte bereikbaarheid, het feit dat het terrein aan derden is verhuurd en de noodzaak tot aanleg van een langer kabeltracé. Anders dan appellanten betogen, kan dit, gegeven de terughoudende toetsing door de bestuursrechter van beleidsbeslissingen van het bestuursorgaan, niet rechtens onjuist worden geacht.

2.7.    Onder de hiervoor omschreven omstandigheden is de rechtbank terecht tot de slotsom gekomen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de verleende vrijstelling en bouwvergunning in stand te laten.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Heusden

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

163-422.