Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1283

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200503446/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft verweerder aan appellante sub 7 een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een jachtschietcentrum annex horeca-inrichting, munitieopslag, wapenhandel en geweermakerij op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet, kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie F, nummer 3940. Dit besluit is op 16 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200503446/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Nunspeet,

2.    de stichting "Stichting Natuur- en Cultuurbehoud Vierhouten eo.", gevestigd te Nunspeet,

3.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Hotel en Bungalowpark Landgoed Stakenberg B.V." en andere, alle wonend en gevestigd te Elspeet, gemeente Nunspeet,

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], gemeente Nunspeet,

5.    [appellant sub 5] en anderen, wonend te [woonplaats], gemeente Nunspeet,

6.    de vereniging "Gelderse Milieufederatie", gevestigd te Arnhem, en andere,

7.    de vereniging "Vereniging Nationaal Jachtschietcentrum Berkenhorst", gevestigd te Elspeet, gemeente Nunspeet,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2005 heeft verweerder aan appellante sub 7 een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een jachtschietcentrum annex horeca-inrichting, munitieopslag, wapenhandel en geweermakerij op het perceel Stakenbergweg 60 te Elspeet, kadastraal bekend gemeente Nunspeet, sectie F, nummer 3940. Dit besluit is op 16 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellante sub 2 bij brief van 26 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2005, appellanten sub 3 bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, appellant sub 4 bij brief van 18 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2005, appellanten sub 5 bij brief van 21 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, appellanten sub 6 bij brief van 25 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2005, en appellante sub 7 bij brief van 22 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2005, beroep ingesteld. Appellanten sub 3 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 juli 2005. Appellanten sub 5 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 19 mei 2005.

Bij brief van 19 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 december 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3, appellant sub 4, appellanten sub 5, appellanten sub 6, appellante sub 7 en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 maart 2006, waar appellant sub 1 in persoon en bijgestaan door mr. H.M. van der Bij, advocaat te Amersfoort, appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. F.F. Scheffer, advocaat te Zutphen, en [gemachtigde], appellanten sub 3, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], appellant sub 4 in persoon, appellanten sub 5, van wie [appellanten] in persoon en vertegenwoordigd door mr. A.C. van Langen, advocaat te Rotterdam, [gemachtigden], appellanten sub 6, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. P. Baas, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning ziet op een inrichting met vier bovengrondse kleiduivenschietbanen en drie ondergrondse schietbanen. De bovengrondse schietbanen veroorzaken het meeste schietgeluid.

2.4.    Appellanten sub 1 tot en met 6 betogen dat de vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen geluidhinder. Appellante sub 2, appellanten sub 3, appellanten sub 5 en appellanten sub 6 wijzen er in verband met de door verweerder als uitgangspunt gehanteerde Circulaire schietlawaai van 1 april 1979 op dat het L95 slechts 36 dB(A) bedraagt. Appellanten sub 5 en appellanten sub 6 voeren voorts aan dat verweerder ten onrechte bepaalde woningen die zijn gelegen aan de Stakenbergweg en de Bergweg niet bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het schieten heeft betrokken. Ter plaatse van deze woningen zouden aanzienlijk hogere waarden voor Lr (rating sound level) worden ondervonden dan de door verweerder in voorschrift D.1 toegestane waarde voor Lr van 40 dB(A) in de dagperiode.

2.4.1.    Ingevolge voorschrift D.1, voor zover van belang, mag het rating sound level (Lr) veroorzaakt door schietactiviteiten binnen de inrichting ter plaatse van de in bijlage 1 van het geluidrapport van 2 april 2004 nr. JB025/04 vastgelegde waarneempunten niet meer bedragen dan 40 dB(A) in de dagperiode.

2.4.2.    Verweerder heeft bij de beoordeling van het schietgeluid van de inrichting de Circulaire schietlawaai als uitgangspunt gehanteerd. In deze circulaire is bepaald dat de waarde voor Lr de laagste van twee in tabel 2 van die circulaire gegeven waarden niet mag overschrijden. Verweerder heeft de omgeving van de inrichting getypeerd als een "gebied met verspreide bebouwing" als bedoeld in tabel 2. Deze typering acht de Afdeling, mede gezien het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, juist. De twee waarden die in tabel 2 bij een dergelijke gebiedstypering staan vermeld zijn het L95 en 45 dB(A). Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval het L95 36 dB(A) bedraagt, zodat toepassing van de Circulaire schietlawaai tot de conclusie leidt dat het Lr in dit geval niet meer dan 36 dB(A) zou mogen bedragen. Verweerder is na een bestuurlijke afweging op dit punt afgeweken van de Circulaire schietlawaai en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde voor Lr ten hoogste 40 dB(A) mag bedragen op woningen van derden. Verweerder heeft daarom in voorschrift D.1 bepaald dat deze waarde niet mag worden overschreden ter plaatse van de waarneempunten die zijn opgenomen in tabel 1 van het akoestisch rapport van Van den Bos milieuadvies van 2 april 2004. Deze waarneempunten betreffen drie woningen aan de Stakenberg en de camping Schapendrift. In het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak is evenwel vermeld dat de woningen Stakenberg 82, 97 en 102 en de woningen Bergweg 138 en 139 niet zijn betrokken in de akoestische onderzoeken die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen en voorts dat de waarde voor het Lr in de dagperiode op die woningen als gevolg van de schietactiviteiten van de inrichting tot meer dan 55 dB(A) zal bedragen. Reeds gelet op het door hem gekozen beschermingsniveau had verweerder de vergunning voor de inrichting daarom moeten weigeren.  Daarbij is van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat het beperken van het aantal schoten teneinde de waarde voor het Lr ook op deze woningen niet meer dan 40 dB(A) te laten bedragen een verlating van de grondslag van de aanvraag zou betekenen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 8.11 (oud) van de

Wet milieubeheer.

2.5.    Gezien het vorenstaande kan een bespreking van de overige beroepsgronden van appellanten sub 1 tot en met 6 achterwege blijven.

2.6.    De beroepen van appellanten sub 1 tot en met 6 zijn gegrond. Het beroep van appellante sub 7 is, gezien het vorenstaande, ongegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu gezien het vorenstaande de aangevraagde vergunning moet worden geweigerd, zal de Afdeling dit zelf voorziend doen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten van appellant sub 1, appellante sub 2, appellanten sub 3, appellant sub 4 en appellanten sub 5. Ten aanzien van appellanten sub 6 is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellante sub 7 bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen van appellanten sub 1 tot en met 6 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet van 8 maart 2005, kenmerk 2845;

III.    weigert de aangevraagde vergunning;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    verklaart het beroep van appellante sub 7 ongegrond;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 354,37 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro en zevenendertig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Nunspeet aan appellant sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 703,61 (zegge: zevenhonderdendrie euro en eenenzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Nunspeet aan appellante sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij appellanten sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 676,37 (zegge: zeshonderdzesenzeventig euro), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Nunspeet aan appellanten sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij appellant sub 4 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 32,37 (zegge: tweeëndertig euro en zevendertig cent); het dient door de gemeente Nunspeet aan appellant sub 4 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van bij appellanten sub 5 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.937,28 (zegge: vierduizendnegenhonderdzevenendertig euro en achtentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Nunspeet aan appellanten sub 5 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII.    gelast dat de gemeente Nunspeet aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 1, € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenenzeventig euro) voor appellante sub 2, € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenenzeventig euro) voor appellanten sub 3, € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 4, € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellanten sub 5 en € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor appellanten sub 6 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll    w.g. Lap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

288.