Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200508041/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2004 heeft verweerder een verzoek van appellante sub 2 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [appellante sub 1] op het perceel [locatie] te Hellevoetsluis afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508041/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], gevestigd en wonend te Hellevoetsluis,

2.    [appellante sub 2], wonend te Hellevoetsluis,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2004 heeft verweerder een verzoek van appellante sub 2 om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van [appellante sub 1] op het perceel [locatie] te Hellevoetsluis afgewezen.

Bij besluit van 1 augustus 2005, verzonden op 5 augustus 2005, heeft verweerder het hiertegen door appellante sub 2 gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de overtreding van voorschrift 1.1.1 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) en het bezwaar voor zover dat betrekking heeft op de overlast als gevolg van het gebruik van de wasplaats ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 15 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellante sub 2 eveneens bij brief van 15 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 oktober 2005 en appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 17 oktober 2005.

Bij brief van 22 november 2005 heeft verweerder twee verweerschriften ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2006, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], appellante sub 2, vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L.R.Chr. Capiau, ambtenaar van de gemeente, en ing. B. Karabatak, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Appellanten sub 1 betogen dat het bestreden besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij vrezen dat verweerder op grond van dit besluit in de toekomst handhavend zal kunnen optreden, terwijl de vermeende overtreding van voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit volgens hen kan worden gelegaliseerd.

2.2.1.    Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar dat ziet op de overtreding van voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit gegrond verklaard en daarbij verwezen naar het - hier niet aan de orde zijnde - besluit van 4 juli 2005, waarbij hij aan appellanten sub 1 een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van dit voorschrift. Gelet hierop kan de Afdeling appellanten sub 1 niet volgen in hun stelling dat het bestreden besluit rechtsonzeker is.

2.3.    Appellante sub 2 betoogt dat verweerder het bezwaar voor zover dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot oplegging van een last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van de wasplaats op het buitenterrein, ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Zij voert in dit verband aan dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte rekening heeft gehouden met een geluidwerende wand van strobalen die op het terrein van vergunninghoudster is geplaatst. Appellante stelt dat voor de wand een bouwvergunning is vereist, maar dat deze zal moeten worden geweigerd. Ook betoogt zij dat de wand van strobalen niet duurzaam is en vreest zij vanwege de geringe afstand tussen de strobalen en haar woning gevaar voor brand. Appellante merkt in dit verband op dat niet is voldaan aan voorschrift 1.6.11 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit, waarin onder meer de minimale afstand tussen de opslag en de erfgrens is bepaald. Appellante stelt dat het afzien van handhavend optreden onevenredig is nu vergunninghoudster over een inpandige wasplaats beschikt en de geluidbelasting bij het inpandig wassen met gesloten toegangsdeuren verwaarloosbaar blijkt te zijn. Tenslotte stelt appellante overlast van de wasplaats te ondervinden door spatwater dat in haar tuin en tegen haar woning waait.

2.3.1.    Verweerder stelt niet bevoegd te zijn om tot handhaving over te gaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van een overtreding. Het al dan niet vereist zijn van een bouwvergunning, strijd met voorschrift 1.6.11 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit en de mogelijkheid om inpandig vrachtauto's te wassen kan in deze procedure, aldus verweerder, niet aan de orde komen.

2.4.    Blijkens de stukken wordt van de wasplaats op het buitenterrein voornamelijk gebruik gemaakt op vrijdag gedurende de avondperiode en op zaterdag gedurende de dagperiode. Bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege het gebruik van de wasplaats op het buitenterrein heeft verweerder zich gebaseerd op door DCMR Milieudienst Rijnmond opgestelde akoestische rapporten van 12 april 2005 en 26 april 2005. Het is de Afdeling niet gebleken dat de in beide akoestische rapporten gehanteerde bedrijfssituaties wat de wasplaats betreft niet representatief zijn te achten en dat van de juistheid van de rapporten op dit punt niet kan worden uitgegaan. De Afdeling is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat vanwege het gebruik van de wasplaats op het buitenterrein de in voorschrift 1.1.1 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit opgenomen geluidgrenswaarden niet worden overtreden. Het betoog van appellante sub 2 dat voor de wand van strobalen ten onrechte geen bouwvergunning is verleend, dat deze niet duurzaam is en dat het wassen van de vrachtauto's ook inpandig kan gebeuren maakt dit, nog daargelaten of dit juist is, niet anders. Ook de door verweerder geconstateerde overtreding van voorschrift 1.6.11 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit wegens het plaatsen van strobalen op een te geringe afstand van de erfgrens, kan aan het vorenstaande niet afdoen. Deze gronden hebben geen betrekking op de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

   Wat de overlast van spatwater betreft, is de Afdeling niet aannemelijk geworden dat sprake is van een overtreding van het Besluit.

    Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd niet bevoegd te zijn om vanwege het gebruik van de wasplaats op het buitenterrein bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen. Hij heeft het tegen het besluit van 28 september 2004 ingediende bezwaar van appellante sub 2 daarom terecht in zoverre ongegrond verklaard.

2.5.    Appellante sub 2 betoogt tenslotte dat verweerder haar verzoek om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken ten onrechte niet heeft ingewilligd.

2.5.1.    Verweerder stelt dat de inrichting ten tijde van het nemen van het besluit van 28 september 2004 niet in overtreding was en hij appellante sub 2 daarom geen vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand heeft toegekend.

2.5.2.    Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.5.3.    Op verzoek van appellante sub 2 heeft Van den Bos milieuadvies op 6 december 2004 een akoestisch rapport opgesteld. Hierin is geconcludeerd dat de in voorschrift 1.1.1 van onderdeel B van de Bijlage behorende bij het Besluit gestelde geluidgrenswaarden werden overtreden en dat aan de geluidrapporten waarop verweerder zich bij het nemen van het primaire besluit heeft gebaseerd, gebreken kleven. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder nieuwe metingen laten verrichten door DCMR, waaruit bleek dat de in voorschrift 1.1.1 opgenomen geluidgrenswaarden inderdaad werden overtreden. De Afdeling acht niet aannemelijk dat deze overtredingen pas nadat het primaire besluit is genomen hebben plaatsgevonden. Daarom kan niet worden geoordeeld dat herroeping van het primaire besluit wat de overtreding van meerbedoeld voorschrift 1.1.1 betreft, is te wijten aan gewijzigde omstandigheden sedertdien. Nu verweerder heeft miskend dat het primaire besluit is herroepen wegens aan hem te wijten onrechtmatigheid, is het beroep in zoverre gegrond. Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de kosten die appellante sub 2 in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op het voorgaande behoeft verweerder niet alsnog te beslissen op het verzoek van appellante sub 2.

2.6.    Uit het vorenstaande volgt dat de beroepen van appellanten sub 1 en appellante sub 2 ongegrond respectievelijk deels gegrond dienen te worden verklaard.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellante sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis van 1 augustus 2005, kenmerk 200506301, voor zover bij dit besluit het verzoek van appellante sub 2 om vergoeding van haar proceskosten in de bezwaarprocedure is afgewezen;

III.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 geheel en het beroep van appellante sub 2 voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis tot vergoeding van bij appellante sub 2 in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Hellevoetsluis aan appellante sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Hellevoetsluis aan appellante sub 2 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

255.