Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1273

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200508115/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de Minister) het verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van documenten deels ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508115/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1483 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 augustus 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft appellant (hierna: de Minister) het verzoek van [wederpartij] om openbaarmaking van documenten deels ingewilligd.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft de Minister het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 20 december 2004 heeft de Minister het besluit van 16 november 2004 ingetrokken en het door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Minister bij brief van 16 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2006, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, werkzaam bij het Ministerie, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) houdt de uitspraak, indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon.

   Ingevolge het tweede lid kan de uitspraak in de overige gevallen inhouden dat het betaalde griffierecht door de door de rechtbank aangewezen rechtspersoon geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

   Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.2.    De Minister komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Minister het door [wederpartij] betaalde griffierecht dient terug te betalen, alsmede tegen de veroordeling van de Minister in de door [wederpartij] voor het beroep gemaakte proceskosten. In dit verband voert de Minister aan dat in het besluit van 16 november 2004 een duidelijk kenbare fout is gemaakt, die in het besluit van 20 december 2004 is hersteld, dat de fout niet tot een wezenlijke vertraging heeft geleid in de bezwaarfase, en dat [wederpartij] door voornoemd rechtbankoordeel geen griffierecht verschuldigd is geweest voor het beroep tegen het besluit van 20 december 2004. Verder voert de Minister aan dat de rechtbank ten onrechte een wegingsfactor van 1,0 heeft toegekend aan het beroepschrift inzake het besluit van 16 november 2004, aangezien een gewicht van "licht" (0,5) of "zeer licht" (0,25) redelijk wordt geacht in geval van intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming in tweede instantie en in geval beroep wordt ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen.

2.3.    Uit het dossier blijkt dat de Minister ten tijde van het nemen van het besluit van 16 november 2004 niet heeft onderkend dat [wederpartij] gronden heeft aangevoerd tegen het besluit van 26 oktober 2004, en dat zijn bezwaar aanvankelijk om die reden niet-ontvankelijk is verklaard. In deze situatie is de Afdeling, anders dan de Minister, van oordeel dat voor de rechtbank grond bestond om te gelasten dat de Minister het griffierecht terugbetaalt en om de Minister in de door [wederpartij] voor het opstellen van het beroepschrift gemaakte proceskosten te veroordelen, nu voor [wederpartij] aanleiding bestond om in beroep op te komen tegen het - later ingetrokken en door de Minister als foutief bestempelde - besluit van 16 november 2004.

   Dat [wederpartij] geen griffierecht verschuldigd is geweest voor het - ongegrond verklaarde - beroep tegen het besluit van 20 december 2004 vormt, anders dan de Minister aanvoert, geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de terugbetaling van het griffierecht heeft gelast. De Minister gaat er impliciet van uit dat vaststaat dat [wederpartij] beroep zou hebben ingesteld tegen een beslissing van de Minister waarbij door de Minister aanstonds zou zijn onderkend dat [wederpartij] gronden heeft aangevoerd tegen het besluit van 26 oktober 2004 en waarbij het bezwaar ongegrond was verklaard. Dat [wederpartij] tegen een zodanige beslissing beroep zou hebben ingesteld staat evenwel niet vast. Immers, ten aanzien van die beslissing had [wederpartij] de afweging kunnen maken om daartegen al dan niet beroep in te stellen. Die afweging heeft [wederpartij] niet kunnen maken ten aanzien van het besluit van 20 december 2004, nu het tegen het besluit van 16 november 2004 ingestelde beroep dat [wederpartij] vanwege een onjuiste beslissing van de Minister genoodzaakt was in te stellen, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 20 december 2004.

   Van de door de Minister genoemde situaties waarbij in de regel een lichter gewicht aan het beroepschrift wordt toegekend, is hier geen sprake, zodat - anders dan de Minister betoogt - voor de rechtbank dan ook onvoldoende aanleiding bestond om aan het beroepschrift een andere dan de gebruikelijke gemiddelde wegingsfactor toe te kennen.

   Het betoog van de Minister faalt mitsdien.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Van door [wederpartij] in hoger beroep gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006.

176-450.