Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200505699/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te Borssele, kadastraal bekend gemeente Borsele, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 3 juni 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505699/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Bont voor Dieren", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, verleend voor een nertsenhouderij gelegen op het perceel [locatie] te Borssele, kadastraal bekend gemeente Borsele, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 3 juni 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 augustus 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door R.A.M. Loos en M.L.A. van der Ven, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Voor de inrichting is bij besluit van 19 december 1995 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 3.075 ouderdieren van nertsen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor een veebestand van 8.000 ouderdieren van nertsen.

2.4.    Appellante voert aan dat verweerder de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder onjuist heeft uitgevoerd. Zij betoogt dat verweerder ten onrechte geen individuele beoordeling heeft gemaakt wat betreft de minimaal aan te houden afstand, hetgeen de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) voorschrijft ten aanzien van een inrichting met een omvang als de onderhavige. Verweerder hanteert volgens appellante ten onrechte een afstand die geldt voor inrichtingen met een omvang van 3.000-6.000 ouderdieren van nertsen.

2.4.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken stankhinder de Richtlijn gehanteerd. Bij de bepaling van de omgevingscategorieën heeft hij de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) gehanteerd.

   In Bijlage 2 van de Richtlijn, voor zover hier van belang, is aangegeven dat bij een bedrijfsomvang van ≤1.000 ouderdieren bij nertsen in omgevingscategorie III een afstand van minimaal 100 meter moet worden aangehouden. Tevens wordt aangegeven dat bij een bedrijfsomvang met 3.000-6.000 ouderdieren bij nertsen de afstand met 75 meter moet worden vergroot en dat bij een bedrijfsomvang van ≥6.000 ouderdieren bij nertsen afhankelijk van plaatselijke situaties individueel moet worden bezien in welke mate de afstand dient te worden vergroot. Verder is aangegeven dat in geval van Groen-Labelstallen voor nertsen, bij toepassing van omgevingscategorie III de voorgaande afstand met 25 meter verkleind moet worden.

2.4.2.    Voor inrichtingen met een omvang van 3.000-6.000 ouderdieren van nertsen die zijn gehuisvest in een Groen-Labelstal in omgevingscategorie III geldt op grond van Bijlage 2 van de Richtlijn een minimaal vereiste afstand van 150 meter (100 + 75 - 25).

   Aangezien het aantal dieren in dit geval meer dan 6.000 bedraagt, heeft verweerder ervoor gekozen om, met inachtneming van de plaatselijke situatie, ondanks het feit dat volgens hem de inrichting conform een Groen-Labelstalsysteem is uitgevoerd, de afstand niet met 25 meter te verkorten. Niet in geschil is verder dat de afstand van de inrichting tot de dichtstbijgelegen woning 218 meter bedraagt en dat het hier een categorie III-object als bedoeld in de brochure betreft.

   Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen zodanige stankhinder voordoet ten gevolge van het houden van nertsen, dat de vergunning hierom had moeten worden geweigerd, dan wel dat nadere voorschriften aan de vergunning verbonden hadden moeten worden. De beroepsgrond treft geen doel.

2.5.    Appellante stelt dat voorschrift B.4 van de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen betrekking heeft op de bescherming van het milieu buiten de inrichting en om die reden ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Tevens voert zij aan dat het betreffende voorschrift overbodig is, aangezien uit de vergunningvoorschriften A.1, A.2, A.4 en artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer reeds volgt dat normale werkzaamheden, waaronder controlewerkzaamheden, moeten kunnen worden verricht.

   Verweerder stelt zich op het standpunt dat vergunningvoorschrift B.4 aan de vergunning is verbonden ter bescherming van het milieu buiten de inrichting, aangezien het voorschrift bewerkstelligt dat bij eventuele calamiteiten direct met de benodigde werkzaamheden kan worden begonnen.

   Ingevolge voorschrift B.4 moet de verlichting zodanig zijn dat een behoorlijke oriëntatie mogelijk is en bij duisternis normale werkzaamheden, waaronder begrepen controlewerkzaamheden, kunnen worden verricht.

   In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerder voorschrift B.4 niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden. De beroepsgrond faalt.

2.6.    Appellante voert aan dat verweerder bij de berekening van de door de inrichting te veroorzaken ammoniakemissie ten onrechte een emissiefactor van 0,25 kg NH3  heeft gehanteerd, welke van toepassing is indien de inrichting is uitgevoerd conform Groen-Labelstalsysteem BB 94.02.013. Volgens appellante heeft de aanvraag om vergunning echter betrekking op de ombouw van Groen-Labelstalsysteem BB 94.02.013 naar een traditioneel stalsysteem. De verandering van de kooiconstructie heeft volgens appellante immers tot gevolg dat een groter deel van de mest buiten de mestgoot valt, zodat zich een verslechtering van de mesthuishouding voordoet. Op grond hiervan dient verweerder een emissiefactor van 0,58 kg NH3  toe te passen bij de berekening van de ammoniakemissie, aldus appellante.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bij de geldende vergunning reeds vergunde Groen-Labelstalsysteem BB 94.02.013 bij het bestreden besluit slechts op een aantal ondergeschikte punten veranderingen ondergaat. Het mestafvoersysteem en de daarmee gepaard gaande ammoniakemissie veranderen volgens hem niet. Op grond hiervan dient de emissiefactor van 0,25 kg NH3 te worden gehanteerd, aldus verweerder.

2.6.2.    De inrichting is conform de geldende vergunning uitgerust met een Groen-Labelstalsysteem BB 94.02.013. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting wenst vergunninghouder de kooien aan te passen aan de normen voor dierenwelzijn, hetgeen inhoudt dat de kooien in horizontale en verticale zin zullen worden gekoppeld, waardoor zogenaamde klauterkooien ontstaan. Anders dan in de zaak die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2004, no. 200306226/1, waarnaar appellante ter zitting heeft verwezen, blijkt in dit geval uit de aanvraag om vergunning dat het twee rijen boven elkaar gelegen kooien betreft met een verhoogde mestgoot en dat de hoger gelegen kooilaag toegankelijk is vanuit de onderste kooilaag. Vergunninghouder heeft ter zitting betoogd dat in de praktijk blijkt dat nertsen in klauterkooien veelal op dezelfde plek mesten als nertsen in conventionele kooien, derhalve in de onderste kooi, en dat ook bij het eventuele mesten in de bovenste kooi de mest wordt opgevangen in de mestgoot. Verweerder heeft voorts in voorschrift D.2.2 bepaald dat onder de mestdeponeerplaats een mestgoot van roestvast staal of kunststof aanwezig dient te zijn, dat de mestgoot een rond profiel moet hebben met een breedte van 30-40 cm en dat in de mestgoot een schuif aanwezig moet zijn, waarmee mest, urine en eventuele voedselresten uit de mestgoot kunnen worden verwijderd. In voorschrift D.2.5 is bepaald dat de in de mestgoot gevallen voedselresten, mest en urine tweemaal per dag door middel van de mestschuif worden afgevoerd naar een gesloten mestopslag of gesloten container. Gezien de stukken en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht alsmede de door verweerder aan het bestreden besluit verbonden voorschriften, acht de Afdeling voldoende aannemelijk dat in het onderhavige geval van een afwijkende mesthuishouding geen sprake is. Verweerder heeft derhalve terecht de emissiefactor van 0,25 kg NH3 gehanteerd voor de berekening van de ammoniakemissie. De beroepsgrond treft geen doel.

2.7.    Appellante betoogt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de Richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Volgens appellante kan niet worden uitgesloten dat de inrichting significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone (SBZ) Westerschelde.

Hiertoe voert appellante aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat de door de inrichting te veroorzaken ammoniakdepositie 2,2 mol/ha/jaar bedraagt, omdat hij voor de berekening daarvan is uitgegaan van een afstand van 2.050 meter, terwijl hij volgens appellante had moeten meten op de grens van de SBZ Westerschelde, op een afstand van 700 meter van de inrichting. Volgens appellante bedraagt de ammoniakdepositie op de grens van de SBZ Westerschelde - ervan uitgaande dat verweerder terecht een emissiefactor van 0,25 kg NH3 heeft gehanteerd - 18,4 mol/ha/jaar. Voorts heeft verweerder miskend dat de ammoniakdepositie van de inrichting in combinatie met andere plannen en projecten een overschrijding geeft van de kritische depositiewaarde ter plaatse van de SBZ Westerschelde, aldus appellante. In dit kader wijst zij op het rapport "Overschrijding van de critical load voor N voor Habitatgebieden in Nederland" van februari 2004, opgesteld door Alterra en TNO, waaruit volgens haar blijkt dat in het jaar 2000 de kritische depositiewaarde ter plaatse van de SBZ Westerschelde met 357 tot 857 mol/ha/jaar wordt overschreden. Ten slotte is verweerder er volgens appellante ten onrechte van uitgegaan dat significante gevolgen voor de SBZ Westerschelde zijn uitgesloten als, zoals verweerder doet, wordt uitgegaan van een ammoniakdepositie van 2,2 mol en een afstand van 2.050 meter. Verweerder wijst immers zelf op een achtergronddepositie van ammoniak van 1.400 mol/ha/jaar in de provincie Zeeland, hetgeen reeds een forse overschrijding betekent van de kritische depositiewaarde van de meeste duinvegetaties, die volgens appellante 980-1470 mol/ha/jaar bedraagt.

2.7.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat eerst op een afstand van 2.050 meter van de inrichting jonge duingronden zijn gelegen die mogelijk voor verzuring gevoelig zijn. De ammoniakdepositie bedraagt volgens verweerder, uitgaande van deze afstand, na uitbreiding van het veebestand, 2,2 mol/ha/jaar. Gelet op de relatief grote afstand en de geringe ammoniakdepositie betoogt verweerder dat vergunningverlening geen significante gevolgen heeft voor de SBZ Westerschelde.

2.7.2.    Bij beschikking van 7 december 2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (Pb L 387), en daarmee dus vóór het nemen van het bestreden besluit, is onder meer het natuurgebied "Westerschelde" geplaatst op de lijst van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de Habitatrichtlijn.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor plannen of projecten die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

   Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, gepubliceerd in JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

2.7.3.    De Habitatrichtlijn bevat geen definitie van de begrippen "plan" en "project". Uit het genoemde arrest van het Hof volgt echter dat voor de verduidelijking van deze begrippen, het begrip "project", zoals dat wordt gedefinieerd in artikel 1, tweede lid, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, relevant is.

   Gelet hierop gaat het naar het oordeel van de Afdeling in het onderhavige geval om een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Voorts gaat het niet om een plan of project dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van de speciale beschermingszone.

2.7.4.    Vervolgens dient, blijkens het genoemde arrest, te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor de speciale beschermingszone, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

   Ter zitting is gebleken dat ten westen van de inrichting, op een afstand van minder dan 2.050 meter van de inrichting, zogenoemde schorren zijn gelegen die, anders dan de gebieden ter hoogte van de grens van de inrichting, niet altijd onder water staan, terwijl verweerder het onder water staan bepalend heeft geacht voor de vraag of de gebieden mogelijk voor verzuring gevoelig zijn. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of op deze schorren te beschermen habitattypes voorkomen. Tevens heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht wat de hoogte is van de kritische depositiewaarde en de actuele achtergronddepositie ter plaatse van de SBZ Westerschelde. Gelet hierop heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzocht of het onderhavige plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, al dan niet significante gevolgen heeft voor de SBZ Westerschelde, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, en evenmin op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat sprake is van dergelijke significante effecten.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.

2.8.    Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte de driejarentermijn van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer op grond van artikel 8.18, tweede lid, van die wet met twee jaar heeft verlengd. Hiertoe voert zij aan dat verlenging van de termijn niet noodzakelijk is, aangezien verweerder in de considerans van het bestreden besluit reeds aangeeft dat de aanpassing van de kooien binnen drie jaar kan worden gerealiseerd. Tevens stelt appellante dat het dictum, onder b, van het bestreden besluit in strijd is met de wet, aangezien artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer niet bepaalt wanneer de voedsters in de inrichting aanwezig moeten zijn. Verder voert appellante aan dat het onduidelijk is wanneer de termijn uit het dictum, onder b, van het bestreden besluit eindigt, nu de aanvangsdatum van de termijn afwijkt van de aanvangsdatum in het eerste lid, aanhef en onder a, van artikel 8.18 van de Wet milieubeheer. Ten slotte wordt volgens appellante met het dictum, onder b, van het bestreden besluit de grondslag van de aanvraag verlaten, aangezien in de aanvraag staat dat in een tijdsbestek van tien jaar het aantal voedsters wordt uitgebreid naar 8.000. Deze termijn wordt op grond van het dictum, onder b, van het bestreden besluit fors korter.

2.8.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat verlenging van de driejarentermijn van artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer op grond van artikel 8.18, tweede lid, van die wet met twee jaar gerechtvaardigd is omdat vergunninghouder zelf voedsters wil fokken, om daarmee het risico van ziekten van buitenaf te voorkomen. Vergunninghouder heeft deze verlenging van de termijn nodig om het aantal voedsters uit te breiden naar 8.000.

2.8.2.    Ingevolge artikel 8.18, eerst lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer vervalt de vergunning voor een inrichting indien de inrichting niet binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, is voltooid en in werking gebracht.

   Ingevolge artikel 8.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan, indien kan worden verwacht dat de inrichting niet binnen de in het eerste lid, onder a, bedoelde termijn kan worden voltooid en in werking gebracht, in de vergunning een andere termijn worden vastgesteld, die daarvoor in de plaats treedt.

   In het dictum, aanhef en onder b, van het bestreden besluit, heeft verweerder neergelegd dat, gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Wet milieubeheer, op grond van artikel 8.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer de datum waarbinnen alle voedsters binnen de inrichting aanwezig moeten zijn en daarmee de inrichting volledig in werking moet zijn, wordt verlengd met twee jaar vanaf het moment van vergunningverlening.

2.8.3.     Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het aanpassen van de kooien binnen drie jaar kan worden gerealiseerd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet kan worden verwacht dat de onderhavige inrichting binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, zal kunnen worden voltooid en in werking gebracht. Dat na afloop van de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 8.18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer nog niet alle voedsters in de inrichting aanwezig zijn, doet hier niet aan af. Wat betreft het aantal dieren is het immers voldoende dat na afloop van de driejarentermijn op bedrijfsmatige wijze dieren worden gehouden, hetgeen hier het geval is. Op grond van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de verlenging van de driejarentermijn in het dictum, onder b, van het bestreden besluit, in strijd is met artikel 8.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

2.9.    Het beroep is gegrond. Nu het antwoord op de vraag of het onderhavige plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, al dan niet significante gevolgen heeft voor de SBZ Westerschelde, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, bepalend is voor de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.10.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Borsele van 10 mei 2005, kenmerk 04-12863;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Borsele tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Borsele aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Borsele aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

154-493.