Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200409016/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Epe, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 februari 2004, het bestemmingsplan "Klaarbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2006, 124
Module Ruimtelijke ordening 2006/5537

Uitspraak

200409016/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de gemeenteraad van Epe, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 februari 2004, het bestemmingsplan "Klaarbeek" vastgesteld.

Bij besluit van 7 september 2004, kenmerk RE2004.22961, heeft verweerder omtrent de goedkeuring van het bestemmingsplan beslist.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 november 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2004, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 17 januari 2005 en 8 maart 2005.

Bij brief van 18 februari 2005 heeft verweerder bericht dat geen verweerschrift wordt ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 juli 2005 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2006, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door V.R.J. Thomas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Epe, vertegenwoordigd door ir. H. Posthuma, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, drs. H.J.H. van de Ven en B.J.W. Haafkes, beide directeur.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Procedurele aspecten

2.3.    Appellanten stellen dat anders dan in de voorliggende bestemmingsplanprocedure is geschied de bevoegdheid om op grond van artikel 30 van de WRO een nieuw bestemmingsplan vast te stellen aanvangt op de dag nadat de beroepstermijn is afgelopen of op de dag nadat op een verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

2.3.1.    Uit het besluit van verweerder van 10 februari 2004, nr. RE2003.103882, blijkt dat verweerder aan het bestemmingsplan "Klaarbeek" goedkeuring heeft onthouden vanwege een publicatiegebrek inzake het niet op correcte wijze vermeld zijn van de kring van bedenkinggerechtigden met betrekking tot planwijzigingen die door de gemeenteraad zijn vastgesteld in verband waarmee de kring van bedenkinggerechtigden was beperkt. Verweerder heeft het gemeentebestuur de opdracht gegeven het bestemmingsplan opnieuw ter inzage te leggen na hernieuwde vaststelling. De gemeenteraad heeft het plan bij besluit van 19 februari 2004 opnieuw vastgesteld. Anders dan appellanten veronderstellen is in dit geval geen sprake van een plan als bedoeld in artikel 30 van de WRO zodat het aangevoerde argument ten aanzien van dit artikel geen nadere bespreking behoeft. Het bezwaar treft geen doel.

De overige aspecten van de zaak

Het plan

2.4.    Het bestemmingsplan "Klaarbeek" (hierna: het plan) voorziet onder meer in de bouw van 260 woningen en de aanleg van een natuurijsbaan in de omgeving van de Klaarbeek. Het plangebied ligt aan de zuidrand van de gemeente Epe en wordt door de N309 van het landelijk gebied gescheiden.

Het bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft dit goedgekeurd.

Streekplan

2.6.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren hiertoe aan dat het plan leidt tot een aantasting van de natuurwaarden in het gebied en daardoor in strijd is met het streekplanbeleid inzake landelijk gebied B.

2.6.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het streekplan Gelderland 1996 (hierna: het streekplan), nu een zeer zorgvuldig afwegingsproces heeft plaatsgevonden, waarbij volgens verweerder met alle relevante aspecten rekening is gehouden.

2.6.2.    Het plangebied ligt volgens het streekplan in landelijk gebied B met de nadere aanduiding "strategisch actiegebied" en grenst aan het gebied met een bestaande woonfunctie (kern met lokale functie). In het streekplan zijn ten aanzien van het landelijk gebied B, voor zover hier van belang, de volgende essentiële beleidsuitspraken opgenomen:

   "Kwetsbare (laagdynamische) functies (natuur, bos en drinkwaterwinning) worden beschermd.";

   "Het landelijk gebied wordt zoveel mogelijk gevrijwaard van functies die daar niet thuishoren.";

   "In landelijk gebied B is alleen op grond van een zeer zorgvuldig afwegingsproces waarbij met alle relevante aspecten rekening is gehouden en andere opties niet aanwezig zijn, een bij de functie van de kern passende uitbreiding bespreekbaar. Eventuele natuur- en boscompensatie dient daarbij te zijn geregeld. Verslechtering van de hydrologische situatie van nabijgelegen natuur mag niet optreden.";

   "Cultuurhistorische en landschappelijke structuren en archeologische en aardwetenschappelijke waarden zijn van groot belang en zullen worden ontzien en waar mogelijk versterkt.";

   "In landelijk gebied B is de natuur de belangrijkste functie. Ontwikkelingen van andere functies mogen de beoogde natuurdoelstellingen niet frustreren. De landbouw vervult in landelijk gebied B een blijvende rol en kan zich in economisch opzicht duurzaam ontwikkelen voor zover de natuurwaarden niet worden geschaad.".

In het streekplan is voorts vermeld dat in landelijk gebied B de natuur- en bosgebieden sterk verweven zijn met landbouwgronden en dat er daarnaast gronden in agrarisch gebruik zijn met daarop aanwezige natuurwaarden. Behoud en ontwikkeling van de aanwezige waarden is volgens het streekplan het uitgangspunt voor plannen op regionaal en lokaal niveau. Voor de functies wonen en (passende) recreatie zijn mogelijkheden aanwezig, daarnaast zijn er beperkte kansen voor kleinschalige zakelijke dienstverlening, aldus het streekplan. In dit kader is voorts vermeld dat in beginsel de bestaande bebouwingscontouren worden gehandhaafd, maar dat in de voor het gebied geformuleerde doelstellingen enige flexibiliteit kan worden betracht wanneer in een specifieke situatie functieverandering een meerwaarde heeft. Verder staat in het streekplan dat binnen het landelijk gebied A en B met de tussenliggende verbindingen inhoud wordt gegeven aan de rijks-ecologische hoofdstructuur (hierna: rijks-EHS). De provincie zet zich in voor de concrete verwezenlijking van de rijks-EHS binnen de voornoemde gebieden, waarbij versterking van de interne samenhang van bestaande natuurgebieden wordt nagestreefd. Landelijk gebied A wordt gevormd door de kerngebieden van de rijks-EHS en landelijk gebied B omvat kleinere kerngebieden en gebieden die voor uitbreiding van het natuurareaal in aanmerking komen. Ter zitting is gebleken dat het water de Klaarbeek onderdeel vormt van de EHS.

   Ten aanzien van de gebieden met de nadere aanduiding "strategisch actiegebied" is het provinciale beleid gericht op het versneld realiseren van de noodzakelijke omgevingskwaliteit ten behoeve van de natuur. De gebieden zijn aangewezen omdat hier zonder extra beleidsinspanning de voor de natuur in landelijk gebied A en B benodigde omgevingskwaliteit niet tijdig zal worden bereikt. De aanwijzing tot "strategisch actiegebied" betekent volgens het streekplan geen verscherping van de inhoudelijke beleidsdoelstellingen.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Het in overweging 2.6.2. weergegeven provinciale beleid met betrekking tot het landelijk gebied B, al dan niet met de nadere aanduiding "strategisch actiegebied" zoals vastgelegd in het streekplan, acht de Afdeling niet onredelijk. Niet in geding is dat het plangebied is gelegen in landelijk gebied B met de nadere aanduiding "strategisch actiegebied". De Afdeling stelt vast dat gelet op het in overweging 2.6.2. vermelde streekplanbeleid alleen op grond van een zeer zorgvuldig afwegingsproces, waarbij met alle relevante aspecten rekening is gehouden en andere opties niet aanwezig zijn, in landelijk gebied B een bij de functie van de kern passende uitbreiding bespreekbaar is. Dit houdt naar het oordeel van de Afdeling in dat verweerder inzichtelijk dient te maken in hoeverre de voorziene woningbouw zich verhoudt tot de essentiële beleidsuitspraken en tot het overige in het streekplan opgenomen relevante beleid. Het uitgangspunt daarbij kan op zich naar het oordeel van de Afdeling worden gevormd door de omstandigheid dat de voorziene woningbouw een bij de functie van de kern passende uitbreiding betreft.

   Verweerder heeft in dit kader aangegeven dat alternatieve locaties zijn bekeken en dat de natuurwaarden in het plangebied zijn beperkt tot de Klaarbeek, die onaangetast blijft zodat het voorliggende plan in overeenstemming is met het streekplan. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de formulering van het criterium inzake alternatieven in het streekplan, verweerder blijk dient te geven van een belangenafweging waarbij uitsluitend zwaarwegende redenen kunnen nopen tot de conclusie dat andere opties niet aanwezig zijn. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd gesteld dat bij de verschillende door hem in ogenschouw genomen locaties de bereidheid tot verkoop van de gronden is bekeken en op grond daarvan enkele alternatieve locaties zijn afgevallen. Dit geeft er naar het oordeel van de Afdeling geen blijk van dat het vereiste zeer zorgvuldige afwegingsproces is gevolgd.

   Verweerder kan voorts aan de omstandigheid dat volgens hem de natuurwaarden in het plangebied uitsluitend worden gevormd door de Klaarbeek en deze onaangetast blijven, geen argument ontlenen om niet te bezien in hoeverre de voorgenomen bebouwing zich verhoudt tot de overige relevante beleidsuitspraken in het streekplan. Het provinciale beleid inzake landelijk gebied B bestaat immers ook uit essentiële beleidsuitspraken die onder meer zien op de functie van landbouw in landelijk gebied B. In dit kader acht de Afdeling relevant dat het plangebied thans grotendeels wordt aangewend ten behoeve van landbouw en het streekplanbeleid onder meer is gericht op behoud en ontwikkeling van de aanwezige waarden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder niet voldoende blijk gegeven van een zorgvuldig afwegingsproces, nu niet inzichtelijk is gemaakt in hoeverre het in overweging 2.6.2. genoemde provinciale beleid, waaronder essentiële beleidsuitspraken die met zich brengen dat kwetsbare functies worden beschermd, dat het landelijk gebied zoveel mogelijk wordt gevrijwaard van functies die daar niet thuishoren en dat in landelijk gebied B landbouw een blijvende rol vervult, bij het bestreden besluit is betrokken. Dit geldt te meer nu verwezenlijking van de voorziene woonwijk leidt tot het verdwijnen van landelijk gebied B ter plaatse van het plangebied. Hierbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat het plangebied is aangeduid als "strategisch actiegebied" en verweerder op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in de verhouding tussen het voorliggende plan en het provinciale beleid op dit punt.

Luchtkwaliteit

2.8.    Appellanten hebben bezwaren geuit tegen het feit dat verweerder in een laat stadium van de procedure een nieuw rapport inzake de luchtkwaliteit heeft overgelegd. Voorts wordt betwijfeld of aan de grenswaarden wordt voldaan.

2.8.1.    Volgens verweerder is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden als bedoeld in het Besluit luchtkwaliteit.

2.8.2.    Zowel ten tijde van de vaststelling van het plan als ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het Besluit luchtkwaliteit 2001 (hierna: Blk 2001) van toepassing zodat hieraan diende te worden getoetst.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Blk 2001 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) kunnen hebben, behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de volgende grenswaarden voor NO2 in acht:

a. 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

   Ingevolge artikel 13 van het Blk 2001 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van zwevende deeltjes (PM10) kunnen hebben, behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, de volgende grenswaarden voor PM10 in acht:

(…);

c. uiterlijk met ingang van 1 januari 2005, 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

d. uiterlijk met ingang van 1 januari 2005, 50 microgram per m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.8.3.        In opdracht van de gemeenteraad heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de luchtkwaliteit binnen de gemeente Epe, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Rapportage Luchtkwaliteit 2002", gedateerd september 2003. Volgens de plantoelichting volgt uit de tabel die behoort bij het voornoemde rapport dat in het plangebied geen overschrijding van de jaargemiddelde concentratie NO2 plaatsvindt, noch een overschrijding van de jaargemiddelde concentratie PM10. In het rapport is de situatie betreffende de luchtkwaliteit gedurende de planperiode niet onderzocht. Volgens het deskundigenbericht valt uit het bedoelde onderzoek niet te herleiden of de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie respectievelijk de grenswaarde van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 in de toekomst niet wordt overschreden. Een overschrijding van de 24 uurgemiddelde norm voor PM10 wordt niet uitgesloten.

2.8.4.    Bij brief van 18 januari 2006 is het onderzoek "Luchtkwaliteit bestemmingsplan Klaarbeek", gedateerd 29 september 2005 en afkomstig van Oranjewoud, overgelegd. In dit onderzoek is de luchtkwaliteit ter plaatse in de bestaande situatie alsmede in de toekomstige situatie (2010 en 2015) onderzocht.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Het standpunt van verweerder dat na uitvoering van het plan wordt voldaan aan de in het Blk 2001 opgenomen grenswaarden voor PM10 en NO2, is louter onderbouwd met de aanname dat in 2001 en 2002 op geen enkele locatie de grenswaarden werden overschreden. Deze aanname met betrekking tot het voorliggende plan is door verweerder niet geadstrueerd met onderzoeksgegevens, waardoor het standpunt van verweerder niet kan worden onderschreven. Naar het oordeel van de Afdeling is voorts niet gebleken dat onderzoek is gedaan naar de mogelijke gevolgen van een toename van het verkeer ter plaatse van de voorziene woonwijk voor onder meer de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 en de jaargemiddelde concentratie PM10 en NO2. Nu uit het in opdracht van de gemeenteraad verrichte onderzoek van september 2003 naar de luchtkwaliteit hiervan niet blijkt, kan niet worden vastgesteld of de in artikel 8 en 13 van het Blk 2001 gestelde grenswaarden in acht zijn genomen. In het rapport van september 2003 is onvoldoende inzichtelijk gemaakt in hoeverre het voorliggende plan gevolgen heeft voor de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 en de jaargemiddelde concentratie PM10 en NO2. Verweerder beschikte bij het nemen van het bestreden besluit dan ook over onvoldoende gegevens om te kunnen beoordelen of de in het Blk 2001 gestelde grenswaarden in acht zijn genomen. Dit besluit is derhalve op onzorgvuldige wijze voorbereid en berust mede daardoor niet op de een deugdelijke motivering.

   Het onderzoeksrapport van Oranjewoud naar de gevolgen van de realisering van het plan voor de luchtkwaliteit, dat na het bestreden besluit is verricht, bevat nieuwe onderzoeksresultaten en is zodanig kort voor de zitting overgelegd, dat appellanten niet in staat zijn geweest de inhoud van het rapport gemotiveerd te bestrijden. Hierin ziet de Afdeling aanleiding de inhoud van het rapport in deze procedure buiten beschouwing te laten.

Externe veiligheid

2.10.    Appellanten stellen zich voorts op het standpunt dat in het plan op een onzorgvuldige wijze met het aspect van externe veiligheid is omgegaan.

2.10.1.    Verweerder stelt zich met de gemeenteraad op het standpunt dat in het plan in voldoende mate rekening is gehouden met externe veiligheid. Het Ontwerp-besluit vaststelling milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen is volgens verweerder maatgevend geweest.

2.10.2.    Op 22 februari 2002 is het Ontwerp-besluit vaststelling milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen in de Staatscourant gepubliceerd (hierna: Ontwerp-besluit). Zowel de vaststelling van het plan als het nemen van het bestreden besluit hebben plaatsgevonden vóór 27 oktober 2004, de datum van (gedeeltelijke) inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

   Ingevolge artikel II, onder f, van de bijlage van het Ontwerp-besluit zijn sport-, kampeer- en recreatieterreinen beperkt kwetsbare objecten.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Ontwerp-besluit, voor zover hier van belang, bedraagt de grenswaarde voor beperkt kwetsbare objecten 10-6 per jaar.

   Ingevolge artikel 7, zesde lid, van het Ontwerp-besluit is, in afwijking van het tweede lid, de grenswaarde 10-5 per jaar voor zover het betrokken besluit betrekking heeft op beperkt kwetsbare objecten die bestemd zijn voor het gebruik door ten hoogste tien personen per hectare gedurende 24 uur per dag of ten hoogste zoveel personen per hectare, dat het aantal personen vermenigvuldigd met de duur van het gemiddelde verblijf van die personen per hectare per dag, uitgedrukt in uren ten hoogste gelijk is aan 240.

   Ingevolge tabel 1 van bijlage 1 van het Ontwerp-besluit bedraagt de afstand die behoort bij een grenswaarde van 10-6 80 meter. De afstand behorende bij een grenswaarde van 10-5 bedraagt gelet op tabel 2 van bijlage 1 35 meter.

   De afstand tussen het buiten het plangebied gelegen LPG-vulpunt aan de Hoofdstraat en de in het plan begrepen natuurijsbaan is 29 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.    Nog daargelaten de vraag of verweerder in redelijkheid heeft mogen uitgaan van het Ontwerp-besluit en de daarin opgenomen indicatieve normen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval kan worden volstaan met een afstand van 29 meter tussen het LPG-vulpunt en de voorziene ijsbaan nu als uitgangspunt voor beperkt kwetsbare objecten ingevolge artikel 7, tweede lid, in samenhang met tabel 1 van bijlage 1 van het Ontwerp-besluit een afstand van 80 meter vanaf het LPG-vulpunt heeft te gelden en in geval van uitzondering ingevolge artikel 7, zesde lid, in samenhang met tabel 2 van bijlage 1, een afstand van 35 meter geldt. Hierbij acht de Afdeling van belang dat verweerder geen inzicht heeft geboden in de berekening die heeft geleid tot de voornoemde afstand van 29 meter.

Parkeergelegenheid

2.12.    Appellanten zijn bevreesd voor een tekort aan parkeerruimte in het plangebied en mitsdien parkeeroverlast in hun woonstraten.

2.12.1.    Verweerder heeft aangevoerd dat de geldende normen in acht zijn genomen.

2.12.2.    Volgens de plantoelichting is bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen uitgegaan van de norm in de Bouwverordening Epe. Zo wordt voor woningen met een bruto vloeroppervlakte tot 100 m² een parkeernorm van 1 parkeerplaats per woning toegepast, voor woningen met een bruto vloeroppervlakte tot 150 m² een parkeernorm van 1,25 en voor woningen groter dan 150 m² een parkeernorm van 1,5, aldus de plantoelichting. Volgens de plantoelichting is parkeren op het eigen erf uitgangspunt bij de vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Voorts vindt het parkeren bij de woonclusters voor dan wel in het hof plaats en worden voor de urban villa's parkeergarages aangelegd. In de toelichting op het plan staat verder dat het gemeentebestuur voornemens is om parkeerplaatsen langs de in het plangebied gelegen wegen aan te leggen. De centrale ontsluiting van het gebied vindt plaats via de Hoofdstraat. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de benodigde parkeerbehoefte kan worden opgevangen maar dat evenwel niet kan worden uitgesloten dat bezoekers van de ijsbaan hun auto parkeren in de woonstraten van appellanten. In het deskundigenbericht wordt over dit laatste aspect geconcludeerd dat gelet op het verwachte aanbod van parkeerplaatsen in het plangebied en de centrale ontsluiting via de Hoofdstraat het niet in de verwachting ligt dat het mogelijke parkeren van bezoekers in de woonstraten van appellanten tot parkeeroverlast leidt.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad bij de bepaling van het benodigde aantal parkeerplaatsen de in overweging 2.12.2. genoemde parkeernormen als uitgangspunt genomen. Appellanten hebben in dit kader niet aannemelijk gemaakt dat verweerder, in navolging van de gemeenteraad, niet van deze normen mocht uitgaan en evenmin dat de parkeerbehoefte, ten gevolge van de bouw van de woningen en de aanleg van de ijsbaan, groter is dan is voorzien in het plan. De Afdeling is derhalve, mede gelet op het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in zodanige parkeergelegenheid dat tegemoet wordt gekomen aan de door de gemeenteraad aangegeven parkeerbehoefte. In aanmerking genomen dat de centrale ontsluiting van het plangebied via de Hoofdstraat plaatsvindt, acht de Afdeling voorts niet aannemelijk dat appellanten parkeeroverlast ten gevolge van het plan zullen ervaren.

Geluid

2.14.    Appellanten stellen dat het akoestisch onderzoek niet deugdelijk is vanwege onder meer het gebruik van gedateerde gegevens betreffende de etmaalintensiteit en het niet representatief zijn van de periode waarin de verkeerstellingen hebben plaatsgevonden. Voorts leiden de voorziene geluidsschermen volgens appellanten tot overlast.

2.14.1.    Volgens verweerder zijn voorafgaand aan de vaststelling van het plan diverse akoestische onderzoeken uitgevoerd. Ten aanzien van de geluidsschermen stelt verweerder dat deze in de omgeving zullen worden ingepast door middel van begroeiing.

2.14.2.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reken- en Meetvoorschrift Wegverkeerslawaai 2002 (hierna RMW 2002) wordt, voor zover hier van belang, bij de bepaling van het equivalente geluidsniveau vanwege een weg rekening gehouden met:

a. de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheidene categorieën motorvoertuigen;

(…).

2.14.3.    De gemeenteraad heeft bij de voorbereiding van het plan een akoestisch onderzoek laten verrichten naar de geluidsbelasting op de voorziene woningen vanwege de N309 en de Hoofdstraat. Het betreft het onderzoek "Geluidsbelasting N309 en Hoofdstraat Plan Klaarbeek", gedateerd november 2002. Volgens dit onderzoek is bij de prognose van de verkeersbelasting in 2010 uitgegaan van het aantal motorvoertuigen per etmaal in 1999 en een geschatte verkeersgroei van 20% ten opzichte van deze verkeersbelasting in 1999. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de verkeerstellingen, waar in het voornoemde onderzoek vanuit is gegaan, niet leiden tot een noemenswaardige afwijking van de resultaten waartoe in het deskundigenbericht is gekomen.

2.14.4.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn ten dienste van en in verband met de bestemming "Woondoeleinden" geluidwerende voorzieningen toegestaan.

   Ingevolge het tweede lid, onder j, onder 2, van dit artikel, bedraagt de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde maximaal 5 meter voor geluidwerende voorzieningen.

   Ingevolge artikel 5 en 7 van de planvoorschriften is de aanleg van een geluidsscherm met een maximale hoogte van 5 meter eveneens mogelijk binnen de bestemming "Werkdoeleinden" respectievelijk "Groenvoorzieningen".

2.14.5.    De afstand tussen de gronden waarop het geluidsscherm kan worden opgericht en de woningen van appellanten bedraagt ongeveer 200 meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    Gelet op het bepaalde in de RMW 2002 en het deskundigenbericht, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder in navolging van de gemeenteraad gehanteerde verkeerstellingen ondeugdelijk waren en evenmin dat toepassing hiervan heeft geleid tot een zeer afwijkende verkeersbelasting voor het jaar 2010. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gemeenteraad ter zitting heeft gesteld dat de verkeersintensiteiten niet zodanig gewijzigd zijn dat hiervan niet meer zou kunnen worden uitgegaan. Evenmin is gebleken dat niet kon worden uitgegaan van een bijtelling van 20% zodat verweerder zich mitsdien naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende zorgvuldig onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting op de voorziene woningen.

   Uit de stukken is gebleken dat de geluidsschermen voor een groot deel zullen zijn begroeid en voor een deel zullen samenvallen met de bestaande houtwal. Gelet hierop en op de afstand tussen de woningen van appellanten en het geluidsscherm is naar het oordeel van de Afdeling de door appellanten gevreesde overlast niet aannemelijk gemaakt.

Waterhuishouding

2.16.    Voorts vrezen appellanten wateroverlast als gevolg van de ophoging van het plangebied en dientengevolge schade.

2.16.1.    Volgens verweerder is het plan vanuit waterhuishoudkundig oogpunt uitvoerbaar en is de vrees voor wateroverlast ongegrond.

2.16.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor groenvoorzieningen aangewezen gronden onder meer bestemd voor water en ter plaatse van de aanduiding waterberging mede voor waterberging en wateropvang.

2.16.3.    In de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen waarin wordt ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze paragraaf bevat een globale beschrijving van het waterhuishoudkundige systeem binnen het plangebied, van de wijze van afvoer van hemelwater alsmede van de mogelijkheid voor (tijdelijke) berging van hemelwater in het plangebied. Daarbij zijn de knelpunten tussen de ruimtelijke bestemmingen en de waterhuishoudkundige functies alsmede de mogelijke oplossingen hiervoor geïnventariseerd.

2.16.4.    De gemeenteraad heeft voorafgaand aan de vaststelling van het plan een geohydrologisch onderzoek laten uitvoeren. Volgens de plantoelichting is naar aanleiding van dit onderzoek in mei 2003 een ontwerp voor het toekomstige watersysteem opgesteld. Dit betreft het ontwerp "Ontwerp watersysteem en maaiveldhoogtes, plan Klaarbeek Epe". Volgens de plantoelichting kan met het treffen van enkele maatregelen, zoals het ophogen van de ontsluitingsweg, worden voldaan aan de ontwateringnorm. Volgens de inspraakreactie heeft het waterschap Veluwe ingestemd met het voorliggende plan. De voorzieningen voor de opvang en afvoer van water zullen volgens de stukken worden verwezenlijkt op met name de gronden met de bestemming "Groenvoorzieningen". In het deskundigenbericht wordt tot de conclusie gekomen dat adequate maatregelen kunnen worden genomen in het plangebied om wateroverlast buiten het plangebied, als gevolg van de uitvoering van het voorliggende plan, te voorkomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.17.    Blijkens rechtsoverweging 2.16.4. dient voor een goede ontwatering van het plangebied een aantal waterhuishoudkundige maatregelen te worden getroffen. Gelet op het door het waterschap Veluwe onderschreven ontwerp voor het watersysteem, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat het treffen van voornoemde maatregelen leidt tot nadelige beïnvloeding van de waterhuishouding op hun percelen.

Conclusie

2.18.    Uit al het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en voorts niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van J. Faber en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.19.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 7 september 2004, RE2004.22961;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 33,97 (zegge: drieëndertig euro en zevenennegentig cent); het dient door de provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

178-500.