Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200509393/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2004 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) geweigerd de kosten die appellante in verband met de behandeling van een bezwaarprocedure heeft gemaakt te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200509393/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/42 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 oktober 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2004 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) geweigerd de kosten die appellante in verband met de behandeling van een bezwaarprocedure heeft gemaakt te vergoeden.

Bij besluit van 24 februari 2005 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2005, verzonden op 1 november 2005, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 december 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en werkzaam bij Berk Accountants en Belastingadviseurs in Zwolle, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. G. van Zon, ambtenaar bij het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)  - voor zover thans van belang - worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) - voor zover hier van belang - kan een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.2.    Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de door [gemachtigde] verleende rechtsbijstand niet is aan te merken als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door dat oordeel heeft de rechtbank - aldus appellante - miskend dat de Minister ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de kosten, die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.3.        Dit betoog faalt. De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat de door [gemachtigde] verleende rechtsbijstand niet behoort te worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, maar als incidenteel verleende rechtsbijstand op freelance basis, nu door appellante tegenover de gemotiveerde betwisting door de Minister niet aannemelijk is gemaakt dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel is van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening van [gemachtigde]. De Minister heeft in dit verband onweersproken gesteld dat appellante de voormalige echtgenote van [gemachtigde] is, dat [gemachtigde] eerst achteraf een factuur heeft opgemaakt en overgelegd, dat [gemachtigde] in totaal drie nota's heeft overgelegd waarvan er een geen betrekking had op het verlenen van rechtsbijstand, dat [gemachtigde] niet heeft aangetoond vrijstelling van de BTW-plicht te hebben verkregen en ten slotte dat [gemachtigde] een geheim telefoonnummer heeft.

       Dat [gemachtigde] in zijn hoedanigheid van medewerker van Berk Accountants en Belastingadviseurs regelmatig beroepsmatig rechtsbijstand verleent, zoals appellante eerst in hoger beroep heeft gesteld, maakt het vorenstaande niet anders, nu ook deze stelling door appellante op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt.

2.4.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006.

176-450.