Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AW1244

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2006
Datum publicatie
12-04-2006
Zaaknummer
200504933/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) aan de Stichting Wonen Centraal bouwvergunning verleend voor een inloophuis/woonzorgunits aan de Ambonstraat 1c en 1d te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200504933/1.

Datum uitspraak: 12 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/2179 en AWB 05/2232 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 april 2005 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats]

2.    appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn (hierna: het college) aan de Stichting Wonen Centraal bouwvergunning verleend voor een inloophuis/woonzorgunits aan de Ambonstraat 1c en 1d te Alphen aan den Rijn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 december 2004 heeft het college het daartegen onder meer door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven van 29 juni 2005 en 21 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door J.E. Teunissen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Stichting Wonen Centraal, vertegenwoordigd door M.L.M. Bekink, werkzaam bij de stichting.

2.    Overwegingen

2.1.    Het perceel is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Brittenrust" bestemd voor "Maatschappelijke doeleinden".

   Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de kaart voor "Maatschappelijke doeleinden" aangewezen gronden bestemd voor gebouwen met de daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen, erven, speelterreinen, parkeergelegenheden, groenvoorzieningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

   Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend gebouwen voor maatschappelijke doeleinden met de daarbij behorende bijgebouwen, dienstwoningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 30, van de planvoorschriften wordt onder maatschappelijke doeleinden verstaan: kerkelijke, sociale, culturele, medische, educatieve en sportdoeleinden.

2.2.    Het bouwplan voorziet in een gebouw dat gedeeltelijk zal worden gebruikt als inloophuis voor dagopvang van verslaafden, dak- en thuislozen en personen met psychische problemen en waarvan een ander gedeelte zal worden gebruikt voor de huisvesting van veertien personen met een verstandelijke, lichamelijke of meervoudige handicap.

2.3.    Appellant betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de huisvesting van gehandicapten in het gebouw niet in overeenstemming is met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden". Uit de processtukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat is beoogd de gehandicapten in de wijze van huisvesting een zo groot mogelijke mate van zelfstandigheid te laten als voor deze doelgroep verantwoord is, waarbij echter voortdurende professionele begeleiding noodzakelijk en ook in het gebouw aanwezig is. Het bouwplan voorziet in persoonlijke verblijfsruimten voor te huisvesten gehandicapten en tevens in een gezamenlijke groeps-/woonruimte en een centrale keukenruimte waarin maaltijden gemeenschappelijk worden bereid en gebruikt. Er is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een zodanig zelfstandige bewoning van het gebouw dat deze wijze van huisvesting moet worden aangemerkt als een met de bestemming strijdig gebruik voor woondoeleinden, zoals appellant stelt. Gelet op de ruime omschrijving in artikel 1, onder 30, van de planvoorschriften van hetgeen onder maatschappelijke doeleinden moet worden verstaan, en in aanmerking nemende dat in dit geval de huisvesting en begeleiding van de gehandicapten kan worden begrepen onder de daarin genoemde sociale doeleinden, heeft de voorzieningenrechter het bouwplan in zoverre terecht niet in strijd geacht met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden".

2.4.    Er bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het gebruik van het gebouw als inloophuis met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" in overeenstemming is. De dagopvang van verslaafden, dak- en thuislozen en personen met psychische problemen kan evenzeer worden begrepen onder de in artikel 1, onder 30, van de planvoorschriften gegeven omschrijving van het begrip maatschappelijke doeleinden. De ruimtelijke uitstraling die volgens appellant uitgaat van dat gebruik maakt dat niet anders. Het betoog van appellant dat de verstrekking van maaltijden en drank aan de bezoekers van het inloophuis moet worden beschouwd als een met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" strijdig gebruik voor horecadoeleinden, miskent dat zodanig gebruik is toegestaan voor zover dat als passend bij en ondergeschikt aan de bestemming kan worden aangemerkt. Daarvan is in dit geval sprake.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006

412.