Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200508641/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college), voor zover thans van belang, appellante onder aanzegging van bestuursdwang gelast het gebruik van het pand Hofdijkstraat 1 als supermarkt te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508641/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Lidl Nederland GmbH, gevestigd te Huizen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3184 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 19 augustus 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college), voor zover thans van belang, appellante onder aanzegging van bestuursdwang gelast het gebruik van het pand Hofdijkstraat 1 als supermarkt te beëindigen.

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2005, verzonden op 5 september 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 11 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan het college toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door R. Houben, bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college vanwege bijzondere omstandigheden in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot handhavend optreden tegen het zonder gebruiksvergunning exploiteren van een supermarkt.

2.1.1.    Ingevolge artikel 6.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de bouwverordening), is het verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig kunnen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis.

   Vast staat dat zowel ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 6 april 2004 als ten tijde van de beslissing op bezwaar werd gehandeld in strijd met dit verbod, omdat appellante niet beschikte over een gebruiksvergunning en in het pand meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig konden zijn.

2.1.2.    Nu is gehandeld in strijd met artikel 6.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening, kon het college terzake handhavend optreden.

2.1.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.1.4.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college er terecht van is uitgegaan dat een concreet uitzicht op legalisatie ontbrak. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante eerst hangende bezwaar, een aanvraag om gebruiksvergunning heeft ingediend, die door het college - zoals volgt uit de uitspraak van heden in zaak no. 200508642/1 - terecht is aangehouden. Anders dan appellante betoogt, heeft college onder die omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om alvorens te beslissen op dat bezwaar appellante in de gelegenheid te stellen die aanvraag zodanig aan te passen dat voor het bouwwerk waarop zij betrekking heeft geen bouwvergunning is vereist.

2.1.5.    De volgens appellante aanwezige mogelijkheid om door middel van een niet bouwvergunningplichtige voorziening het aantal tegelijkertijd in de supermarkt aanwezige personen tot 50 te beperken, zodat het vereiste van de gebruiksvergunning niet geldt, is door haar eerst in hoger beroep ter sprake gebracht. Nu er geen reden is waarom deze mogelijkheid niet eerder naar voren had kunnen worden gebracht, dient dat betoog buiten beschouwing te blijven.

2.1.6.    Het betoog van appellante dat het college zijn bevoegdheid handhavend op te treden ter zake van overtreding van artikel 6.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening heeft gebruikt voor een ander doel dan naleving van die verbodsbepaling te bewerkstelligen, faalt. Het vereiste van de gebruiksvergunning heeft een zelfstandige betekenis. De aanvraag voor zo'n vergunning moet derhalve los worden beschouwd van de gebruiksmogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan biedt. Niet aannemelijk is geworden dat de aanschrijving niet strekt ter veiligstelling van het door voormelde bepaling beschermde belang. Dat het college het gebruik van het pand als supermarkt evenzeer in strijd acht met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en planologisch onaanvaardbaar, is daartoe onvoldoende.

2.1.7.    Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat handhaving in dit geval onevenredig bezwarend is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, faalt eveneens.

   Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1.4. is overwogen is, anders dan appellante stelt, de afgifte van een gebruiksvergunning geen formaliteit die om louter procedurele redenen op zich laat wachten. Dat naar appellante heeft gesteld het college ten aanzien van een eerder door haar ingediende aanvraag om een gebruiksvergunning de geldende beslistermijn heeft overschreden, kan daaraan niet afdoen.

2.2.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

275.