Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200508642/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 3 december 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) op de op 3 juni 2004 ingediende aanvraag om gebruiksvergunning voor het pand Hofdijkstraat 1 te Eindhoven (hierna: het pand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508642/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Lidl Nederland GmbH, gevestigd te Huizen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/877 van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 19 augustus 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij brief van 3 december 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen door het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) op de op 3 juni 2004 ingediende aanvraag om gebruiksvergunning voor het pand Hofdijkstraat 1 te Eindhoven (hierna: het pand).

Bij besluit van 16 februari 2005 heeft het college het door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2005, verzonden op 5 september 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 11 november 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 november 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door R. Houben, bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.A. van Creij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de aanvraag om gebruiksvergunning ten onrechte heeft aangehouden, zodat niet tijdig op die aanvraag is beslist. Zij betwist het oordeel van de rechtbank dat het college er terecht van is uitgegaan dat voor het gebruik waarop de aanvraag ziet, bouwvergunningplichtige veranderingen aan het pand dienen te worden getroffen.

2.1.1.    Ingevolge artikel 6.1.4, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de bouwverordening), beslissen burgemeester en wethouders op een aanvraag om gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, van dat artikel houden burgemeester en wethouders een aanvraag voor een gebruiksvergunning aan indien voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die vergunning nog niet hebben beslist.

2.1.2.    Tezamen met de aanvraag om gebruiksvergunning is een bouwtekening overgelegd waarop bouwkundige voorzieningen zijn weergegeven die strekken tot een gebruik van het pand als supermarkt. Anders dan appellante betoogt, zijn deze voorzieningen geen veranderingen van niet-ingrijpende aard, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb). Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.1.3.    Uit de toelichting op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb (Stb. 2002, 410, p. 36-37), blijkt dat het feit dat wordt voldaan aan de drie daarin expliciet vermelde kenmerken, nog niet betekent dat de verandering daadwerkelijk van niet-ingrijpende aard is. Ook zal voldaan moeten worden aan de meer algemeen geformuleerde term "van niet-ingrijpende aard". Met die term is blijkens de toelichting aangesloten bij de daaromtrent bestaande jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 15 december 1994, no. H01.94.0028, gepubliceerd in BR 1995, blz 218. Daarin is overwogen dat voormelde term in bouwkundige en in stedenbouwkundige zin moet worden opgevat en dat bij dat laatste aspect zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft, een rol spelen.

2.1.4.    De bij de aanvraag om gebruiksvergunning overgelegde tekening geeft blijk van wijzigingen aan zowel de buitenzijde als de binnenzijde van het pand. Zo wordt een wijziging van de entree en de zuidgevel beoogd en worden in het pand scheidingswanden geplaatst tussen de magazijn- en verkoopruimte. Gelet op de uiterlijke verandering van het pand, alsmede op de gewijzigde indeling van het pand, vormen de desbetreffende voorzieningen een samenhangend geheel en zijn zij in hun totaliteit bezien van wezenlijke betekenis voor een adequaat gebruik van het pand als supermarkt. Van bouwkundige veranderingen van niet-ingrijpende aard is derhalve geen sprake. Dat, zoals appellante betoogt, een aantal van de voorzieningen op zichzelf bezien niet bouwvergunningplichtig is, kan - wat daar verder ook van zij - daaraan niet afdoen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat een bouwvergunning is vereist.

2.1.5.    Ten slotte heeft appellante nog betoogd dat geen bouwvergunning is vereist, omdat zij als gevolg van het bestuursdwangbesluit van 30 maart 2004, waarbij zij is gelast het pand terug te brengen in de bestaande situatie zoals weergegeven op de bij haar bouwaanvraag van 16 oktober 2003 behorende bouwtekening van 27 juli 2003 (blad 1B), gehouden is tot het realiseren van een situatie die overeenkomt met hetgeen op de tekening bij de aanvraag om een gebruiksvergunning is aangegeven.

   Dat betoog faalt, reeds omdat beide tekeningen van elkaar verschillen.

2.2.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank, zij het deels op andere gronden, met juistheid geoordeeld dat gelet op artikel 6.1.4., derde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening de beslissing op de aanvraag om een gebruiksvergunning moest worden aangehouden en derhalve van een niet-tijdig genomen beslissing op die aanvraag geen sprake is.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. van den Ende, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van den Ende

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

275.