Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200507495/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 1995 heeft appellant (het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht; hierna: het college), voorzover hier van belang, geweigerd [wederpartij B] ontheffing, als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet, te verlenen van het verbod om met een woonwagen standplaats in te nemen buiten een centrum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200507495/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1027 BESLU van de rechtbank Maastricht van 14 juli 2005 in het geding tussen:

[wederpartij A], wonend te [woonplaats], en

[wederpartij B], wonend te [woonplaats], e.a.

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 1995 heeft appellant (het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht; hierna: het college), voorzover hier van belang, geweigerd [wederpartij B] ontheffing, als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet, te verlenen van het verbod om met een woonwagen standplaats in te nemen buiten een centrum.

Bij besluit van 18 maart 1997 heeft het college, voorzover hier van belang, geweigerd [wederpartij A] ontheffing, als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet, te verlenen van het verbod om met een woonwagen standplaats in te nemen buiten een centrum.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) op het door [wederpartij B] tegen het besluit van 8 augustus 1995 en door [wederpartij A] tegen het besluit van 18 maart 1997 ingestelde administratief beroep beslist en dat ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank), voorzover hier van belang, het daartegen door [wederpartij A] en [wederpartij B] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op administratief beroep vernietigd en opgedragen een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2005, hoger beroep ingesteld, voorzover daarbij het beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] gegrond is verklaard. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 2005 hebben gedeputeerde staten van antwoord gediend.

Bij brief van 31 oktober 2005 hebben [wederpartij A] en [wederpartij B], die in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij separate besluiten van 8 december 2005 hebben gedeputeerde staten, het administratief beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] alsnog gegrond verklaard en bepaald dat aan [wederpartij A] ontheffing als hiervoor bedoeld wordt verleend voor de locatie [locatie 1] te Maasbracht (kenmerk 05/58298) en dat aan [wederpartij B] ontheffing als hiervoor bedoeld wordt verleend voor de locatie [locatie 2] te Maasbracht (kenmerk 05/58297). Voorts is daarbij bepaald dat het college ervoor dient te zorgen dat [wederpartij A] en [wederpartij B] op genoemde locaties zo spoedig mogelijk en in ieder geval vanaf 1 april 2006 daadwerkelijk standplaats kunnen innemen en dat hij daarvoor voor zoveel nodig, de noodzakelijke voorzieningen treft. De ontheffingen zijn verleend totdat [wederpartij A] respectievelijk [wederpartij B] binnen de gemeente Maasbracht reguliere standplaatsen kunnen innemen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Tegen het besluit met kenmerk 05/58298 heeft [wederpartij A] bij brief van 10 januari 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling. Dit beroepschrift is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2006, waar het college, vertegenwoordigd door dr. A.R. Neerhof, juridisch adviseur, en R.T.A. van Cruchten, ambtenaar bij de gemeente, en gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door P.H.W.M. Schoffelen, ambtenaar bij de provincie Limburg, en [wederpartij A] vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij Wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de Huisvestingswet, de Woningwet en enige andere wetten in verband met de integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving (Stb. 459, hierna: Wijzigingswet), in werking getreden op 1 maart 1999, is de Woonwagenwet ingetrokken.

   Ingevolge artikel IX van de Wijzigingswet blijven ten aanzien van aanvragen om ontheffing als bedoeld in artikel 10 van de Woonwagenwet, waarop voor de inwerkingtreding van de wet nog niet is beslist, de daarop betrekking hebbende voorschriften van de Woonwagenwet van toepassing.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Woonwagenwet is het verboden met een woonwagen een standplaats in te nemen buiten een centrum. Op een daartoe strekkende aanvraag kan het college van burgemeester en wethouders ontheffing van dit verbod verlenen.

   Ingevolge artikel 10, tweede lid, van die wet moet de ontheffing worden verleend indien:

a. de betrokkene een voldoende aantoonbaar belang heeft bij vestiging of voortzetting van zijn verblijf in de gemeente buiten een centrum;

b. geen aantoonbare belangen tegen het verlenen van de ontheffing pleiten die van zo gewichtige betekenis zijn, dat het onder a bedoelde belang van de betrokkene daartegen niet opweegt.

   Ingevolge artikel 10a, tweede lid, van die wet kunnen belanghebbenden tegen het besluit als bedoeld in artikel 10, eerste lid, beroep instellen bij gedeputeerde staten.

2.2.    Het college keert zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat - samengevat - gedeputeerde staten hebben miskend dat [wederpartij A] en [wederpartij B] een voldoende aantoonbaar belang hebben als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woonwagenwet.

2.3.    Vaststaat dat [wederpartij A] en [wederpartij B] bij besluit van 25 januari 2000 van het college ambtshalve op een voorrangslijst voor een standplaats voor een nog te realiseren woonwagencentrum in de gemeente Maasbracht zijn geplaatst. Dit in aanmerking genomen en gegeven dat beiden voorheen in Maasbracht hebben gewoond en daar hun sociale contacten hebben opgebouwd, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat gedeputeerde staten zich in navolging van het college niet in redelijkheid op het standpunt konden stellen dat [wederpartij A] en [wederpartij B] geen voldoende aantoonbaar belang hebben als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woonwagenwet. De omstandigheid dat beiden thans - in afwachting van de realisatie van een nieuw woonwagencentrum in Maasbracht - in andere gemeenten woonachtig zijn behoeft, anders dan het college vooronderstelt, gelet op de redactie van voornoemd artikellid van de Woonwagenwet naar het oordeel van de Afdeling niet aan de verlening van de gevraagde ontheffing in de weg te staan. Het betoog van het college in hoger beroep dat niet sprake is van voldoende aantoonbaar belang omdat aan [wederpartij A] en [wederpartij B] - speciaal voor de doelgroep opgerichte - houten systeemwoningen zijn aangeboden, terwijl beiden dit aanbod hebben afgeslagen, maakt dit niet anders. Dit nog niet eerder in de procedure ingenomen standpunt kan niet als toelichting op de in de beslissing op beroep neergelegde motivering dienen en wordt verder buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft het besluit van gedeputeerde staten van 8 juni 2004 dan ook terecht vernietigd.

2.4.    Gelet op artikel 6:18, eerste lid, en artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van die wet, dient het hoger beroep te worden geacht mede te zijn gericht tegen de nieuwe beslissingen op administratief beroep van 8 december 2005. Nu, zoals hiervoor is gebleken, gedeputeerde staten zich niet op het standpunt konden stellen dat [wederpartij A] en [wederpartij B] geen voldoende aantoonbaar belang als hiervoor bedoeld hebben en voorts uit de besluitvorming niet is gebleken dat aantoonbare belangen zich tegen verlening van de gevraagde ontheffingen verzetten, moesten die ontheffingen conform het bepaalde in artikel 10, tweede lid, van de Woonwagenwet worden verleend, zoals gedeputeerde staten bij onderhavige besluiten - ter uitvoering van de aangevallen uitspraak - hebben gedaan. Het beroep van het college tegen de besluiten van 8 december 2005 is dan ook ongegrond.

Ten aanzien van het door [wederpartij A] tegen het besluit van 8 december 2005 met kenmerk 05/58298 ingestelde beroep.

2.5.    Voorzover het college ter zitting heeft betoogd dat [wederpartij A] geen processueel belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 8 december 2005, slaagt dit betoog niet. [wederpartij A] kan zich blijkens zijn beroepschrift niet verenigen met de aan hem bij de verleende ontheffing toegewezen locatie, zodat sprake is van een geschil in het kader van een besluit en de rechter geroepen is tot beantwoording van de hem voorgelegde rechtsvraag. Het standpunt van het college dat [wederpartij A] vanwege mogelijke nieuwe conflicten geen belang heeft om terug te keren in de gemeente Maasbracht is voor de vraag naar het processueel belang van [wederpartij A] niet terzake doende.

2.6.    Gedeputeerde staten hebben aan [wederpartij A] ontheffing verleend voor de [locatie 1] te Maasbracht. Naar ter zitting is gebleken betreft die locatie een standplaats op een woonwagencentrum. Het lag op de weg van gedeputeerde staten om zich hiervan op de hoogte te stellen bij de toewijzing van de locatie, waar de ontheffing als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Woonwagenwet alleen ziet op het innemen van een standplaats buiten een woonwagencentrum. Gedeputeerde staten hebben bij het in geding zijnde besluit dan ook ontheffing verleend in strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Woonwagenwet.

2.7.    Het hoger beroep van het college is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep van het college tegen de besluiten van 8 december 2005 is eveneens ongegrond. Het beroep van [wederpartij A] tegen het besluit van 8 december 2005 met kenmerk 05/58298 is gegrond. De Afdeling zal dat besluit vernietigen. Gedeputeerde staten dienen opnieuw te beslissen op het administratief beroep van [wederpartij A] terzake van zijn verzoek om ontheffing.

2.8.    Gedeputeerde staten dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [wederpartij A] te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht tegen de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 8 december 2005 met kenmerk 05/58297 en 05/58298 ongegrond;

III.    verklaart het beroep van [wederpartij A] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 8 december 2005 met kenmerk 05/58298 gegrond;

IV.    vernietigt de beslissing op administratief beroep van gedeputeerde staten van 8 december 2005 met kenmerk 05/58298;

V.    veroordeelt gedeputeerde staten tot vergoeding van bij [wederpartij A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Limburg aan [wederpartij A] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Peute

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

391.