Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8656

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200506847/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college van b&w) het uitwerkingsplan "A2 Spoorlijn-Hogeweide" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/148
JOM 2006/1445
Module Ruimtelijke ordening 2006/2089

Uitspraak

200506847/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Bewonerscomité Ronduit Weg", gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2005, heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college van b&w) het uitwerkingsplan "A2 Spoorlijn-Hogeweide" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 juni 2005, no. 2005REG001705i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 4 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 17 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 november 2005 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister), die als partij tot het geding is toegelaten, een reactie ingediend. Het college van b&w heeft dit gedaan bij brief van 14 november 2005.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en het college van b&w. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, werkzaam bij het Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. P.J.M. Verlaan, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, onder meer vertegenwoordigd door mr. J.M. de Vries, ambtenaar der gemeente en de Minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    Verweerder en het college van b&w betwisten de ontvankelijkheid van het beroep, omdat hun niet is gebleken dat de ondertekenaar van het beroepschrift over een machtiging van appellante beschikt en omdat in het beroepschrift geen adres van appellante is vermeld.

2.2.1.    Uit het beroepschrift blijkt dat C. van Oosten, medewerker van het Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, namens appellante beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift is het postbusnummer vermeld van genoemd bureau, waar appellante domicilie heeft gekozen. Binnen de daartoe gestelde termijn is een toereikende machtiging overgelegd van de voorzitter en een ander bestuurslid van appellante. Dit betoog faalt.

2.3.    Verweerder en het college van b&w betwisten voorts de ontvankelijkheid van het beroep op de grond dat het belang van appellante niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit, omdat het plan niet voorziet in het vervallen van de bestaande aansluiting op de A2. Bovendien is het vervallen van die aansluiting, aldus het college van b&w, verweerder en de Minister bindend vastgelegd in het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999", zodat de effecten van het vervallen van de aansluiting door dat bestemmingsplan worden veroorzaakt.

2.3.1.    Ingevolge artikel 54, tweede lid, onder b, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: WRO) gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan beroep tegen een uitwerkingsplan slechts worden ingesteld door een belanghebbende.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks is betrokken bij een besluit.

Ingevolge het derde lid van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3.2.    Appellante stelt zich blijkens artikel 2 van haar statuten ten doel de leefbaarheid van de woonwijk "Oog in Al" te bevorderen en te beschermen, in het bijzonder ten aanzien van de verbetering van de verkeerssituatie in al zijn aspecten. Zij gaat er in haar beroep vanuit dat op grond van het plan de bestaande aansluiting op de A2 ter hoogte van de Vleutenseweg vervalt. Zij stelt dat dit tot gevolg heeft dat automobilisten veel meer gebruik zullen maken van de route 24 Oktoberplein-Pijperlaan-Lessinglaan-Haydnlaan. Daardoor zal naar haar stelling aanzienlijk extra verkeershinder en luchtverontreiniging ontstaan op deze route.

2.3.3.    Het plan is een onderdeel van de reconstructie van de A2 tussen Amsterdam (knooppunt Holendrecht) en Utrecht (knooppunt Oudenrijn) en voorziet voor het gebied tussen de spoorlijn Woerden-Utrecht en de weg Hogeweide in het verleggen in westelijke richting en het gedeeltelijk overkappen van de A2 en in de aanleg van een stadsweg parallel aan de A2.

Het plan is krachtens artikel 11 van de WRO vastgesteld en betreft een uitwerking van de bestemmingen "Gemengde Doeleinden (uit te werken)" en "Bedrijfsdoeleinden (uit te werken)" in het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999". Daarmee zijn de gronden ingevolge de voorschriften bij dat bestemmingsplan onder meer bestemd voor verkeer en verblijf, de (deels overkluisde) A2 en wegen.

In het plan is aan de gronden de dubbelbestemming "Verkeersdoeleinden, wegverkeer en gemengde doeleinden -Vw-GD-" toegekend. Daarmee zijn de gronden ingevolge artikel 2, lid A, van de voorschriften bij dit plan, bestemd voor:

1. wegen tot een maximum van veertien rijstroken (in- en uitvoegstroken, weefvakken en busstroken daaronder niet begrepen) waarbij de hoofdrijbanen van de rijksweg (2x3) over een lengte van tenminste 700 meter uitsluitend in gesloten vorm met overkapping zijn toegelaten, en de daarbij behorende parallelbanen (2x2) uitsluitend in gesloten vorm met overkapping zijn toegelaten, alsmede voor langzaam verkeersroutes, (..),

2. uitsluitend op overkappingen en overbouwingen tevens voor verblijfsgebied, wegen elk tot een maximimum van vier rijstroken (opstelstroken en busstroken daaronder niet begrepen), parkeervoorzieningen, (..),

3. (..),

4. (..).

2.3.4.    De voorschriften bij het plan bevatten geen profiel voor de verlegde A2, waaruit blijkt dat de gereconstrueerde A2 alleen mag worden aangelegd zonder toe-/afrit. Volstaan is met de hiervoor onder 2.3.3. vermelde doeleindendenomschrijving op te nemen. De op de plankaart toegekende bestemming, gelezen in samenhang met die doeleindenomschrijving, sluit het handhaven van het bestaande gebruik van de gronden als toerit naar en afrit van de A2 niet uit. Die gronden zijn ook in dit plan bestemd voor gebruik als weg. Derhalve dwingt het plan niet tot het vervallen van de bestaande aansluiting. Het plan staat echter ook een verlegde ligging van de A2 zonder toe-/afrit binnen het plangebied toe en deze wijze van uitvoeren zal blijkens de plantoelichting worden gerealiseerd. Derhalve moet worden geoordeeld dat het plan, anders dan verweerder en het college van b&w stellen, ook voorziet in het vervallen van de aansluiting. De omstandigheid dat het vervallen van de aansluiting in overeenstemming is met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999" leidt niet tot een ander oordeel.

2.3.5.    Daarmee ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of appellante als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Daarvan zou sprake zijn indien het afsluiten van de aansluiting Vleutenseweg leidt tot een bepaalbare wijziging van de verkeerssituatie in de wijk Oog en Al, en daarmee van de leefbaarheid ter plaatse. Uit de stukken als nader toegelicht ter zitting volgt evenwel dat aan het vervallen van de aansluiting Vleutenseweg geen zelfstandige betekenis toekomt. Hierbij zijn in ogenschouw genomen de realisatie van de (vervangende) aansluiting Lageweide, het gegeven dat in dezelfde periode op de route 24 Oktoberplein-Pijperlaan-Lessinglaan-Haydnlaan in de wijk Oog in Al tal van verkeersmaatregelen zullen worden getroffen (wegaanpassingen, verkeersontmoedigings- en reguleringsmaatregelen), dat het 24 Oktoberplein een ingrijpende wijziging zal ondergaan, alsmede de groei van de verkeersstroom op bedoelde route tengevolge van de (verdere) ontwikkeling van het woongebied "Leidsche Rijn". Van een onlosmakelijk en voldoende rechtstreeks verband tussen het afsluiten van de aansluiting Vleutenseweg en de verkeerssituatie in de wijk Oog en Al is mitsdien geen sprake. Dit leidt tot de slotsom dat appellante geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, zodat haar beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

291-516.