Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200504064/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2004 heeft verweerder ingestemd met het door Mol ingenieursbureau namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Centacon B.V." opgestelde deelsaneringsplan van 29 juni 2004 met projectnummer 05247B inzake de sanering van de locatie Josef Israëlslaan naast 54, projectcode 4450049, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie P, nummers 7880, 8272 en 10052.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 38
Wet bodembescherming 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/88 met annotatie van Van der Molen
JBO 2006/57
M en R 2006, 49

Uitspraak

200504064/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2004 heeft verweerder ingestemd met het door Mol ingenieursbureau namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Centacon B.V." opgestelde deelsaneringsplan van 29 juni 2004 met projectnummer 05247B inzake de sanering van de locatie Josef Israëlslaan naast 54, projectcode 4450049, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie P, nummers 7880, 8272 en 10052.

Bij besluit van 5 april 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 15 september 2004 herroepen in die zin dat aan de instemming de volgende voorwaarden zijn verbonden:

1. de verontreinigde grond op de locatie dient volledig, dus ook ter plaatse van de geplande tuin, ontgraven en afgevoerd te worden;

2. de melding van de start van de sanering dient vergezeld te gaan van een schriftelijk overzicht van alle benodigde vergunningen, ontheffingen, toestemmingen en dergelijke.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juni 2005.

Bij brief van 7 juli 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2006, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.N. Goudswaard en A.S. Schreur, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Centacon B.V., vertegenwoordigd door mr. B. Meijer, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.2.    Appellant voert - kort weergegeven - aan dat verweerder niet onder voorwaarden had mogen instemmen met het deelsaneringsplan. Daartoe stelt hij dat onduidelijkheid blijft bestaan omtrent de diepte van de ontgraving en de wijze van saneren. Daarnaast is zijns inziens het onduidelijk of om vermenging van zintuiglijke schone en verontreinigde grond tegen te gaan, geotextiel zal worden toegepast. Voorts geeft het saneringsplan geen eensluidend beeld van de omvang van de saneringslocatie.

2.2.1.    Verweerder heeft naar voren gebracht dat de deelsanering de grenzen van de in het deelsaneringsplan genoemde percelen niet overschrijdt. In bijlage E van het saneringsplan - zijnde de kadastrale kaart en registratie - is dit zijns inziens correct weergegeven. Op de meer indicatieve tekeningen, zoals weergegeven in bijlagen B en C van het saneringsplan, is volgens hem de stippellijn voor alle duidelijkheid buiten de perceelgrens geplaatst. Dit is volgens verweerder gedaan om te voorkomen dat de verschillende lijnen door elkaar lopen.

   Verweerder heeft voorts gesteld dat de puinhoudende en met zware metalen en PAK verontreinigde grond op de saneringslocatie volgens het saneringsplan wordt ontgraven tot de zintuiglijk schone ondergrond. Op grond van de uitgevoerde bodemonderzoeken is gebleken dat de zintuiglijk schone ondergrond zich zeer waarschijnlijk bevindt tussen de 1,0 meter ter plaatse van de toekomstige tuin tot 1,5 meter minus maaiveld op het overige deel van de locatie. Mocht echter blijken dat op deze diepte de verontreiniging nog niet geheel is verwijderd en daarmee nog geen sprake is van een zintuiglijk schone ondergrond, dan zal de saneringslocatie verder worden ontgraven. Het is volgens verweerder dan ook niet mogelijk om vooraf aan te geven tot welke diepte de bodem exact moet worden afgegraven. Door deze wijze van saneren is het zijns inziens uitgesloten dat verontreinigde grond, met inbegrip van de grond buiten de bekisting ter plaatse van de geprojecteerde tuin, op de locatie achterblijft. Het aanbrengen van geotextiel speelt in zoverre geen rol. Dit is slechts anders in geval na controle blijkt dat de putwanden ter hoogte van de omliggende percelen nog verontreinigd zijn.

2.2.2.    Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming bepaalt, voor zover hier van belang, dat degene die de bodem saneert, de sanering zodanig dient uit te voeren dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld.

   Artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming bepaalt, voor zover hier van belang, dat het saneringsplan instemming behoeft van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Aan de instemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

   Ingevolge artikel 88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming, voor zover hier van belang, wordt de gemeente 's-Gravenhage voor de toepassing van artikel 39 gelijkgesteld met een provincie.

2.2.3.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de omvang van de te saneren locatie gelijk is aan de percelen kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie P, nummers 7880, 8272 en 10052. Buiten de grenzen van deze percelen vinden geen saneringswerkzaamheden plaats.

   Verweerder heeft het bestreden besluit gemotiveerd door te verwijzen naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften. De commissie heeft in het advies - kort weergegeven - naar voren gebracht dat, om onduidelijkheden weg te nemen omtrent de effecten die met het treffen van de sanering worden nagestreefd, aan de bij het besluit van 15 september 2004 verleende instemming alsnog een voorwaarde diende te worden verbonden, inhoudende dat de verontreinigde grond op de locatie volledig dient te worden ontgraven en afgevoerd. In navolging van het advies heeft verweerder een voorwaarde aan de instemming met het saneringsplan verbonden, inhoudende dat de verontreinigde grond op de locatie volledig, dus ook ter plaatse van de geplande tuin, dient te worden ontgraven en afgevoerd. Deze wijze van saneren leidt tot een multifunctioneel herstel van de bodem als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming. Met verweerder is de Afdeling van oordeel dat het behalen van dit met de sanering beoogde effect met zich brengt dat op voorhand niet exact kan worden bepaald tot welke diepte de bodem moet worden afgegraven. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in zoverre in redelijkheid onder voorwaarden met het saneringsplan heeft kunnen instemmen.

   Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.3.    Appellant voert onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van de Voorzitter van de Afdeling van respectievelijk 19 december 2003 in zaak no. 200307459/2 en 25 februari 2004 in zaak no. 200400480/1 aan, dat alvorens verweerder instemt met het saneringsplan, duidelijkheid dient te bestaan omtrent de uitvoerbaarheid van de sanering. Daartoe wijst hij op de nog bestaande onduidelijkheid omtrent het verkrijgen van een kap- en bouwvergunning en van een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet en omtrent het plaatsen van het op een naastgelegen perceel gelegen pand op de monumentenlijst.

2.3.1.    Het ingediende saneringsplan dient te worden getoetst aan de bepalingen van de Wet bodembescherming. Die toetsing beperkt zich daarmee tot de aspecten die de bodemkwaliteit betreffen. De door appellant naar voren gebrachte vraag of het plan daadwerkelijk uitvoerbaar is. Betreft de uitkomst van de besluitvorming in het kader van andere wettelijke regelingen en speelt derhalve in het kader van de onderhavige besluitvorming geen rol.

2.4.    Appellant voert aan dat in het saneringsplan ten onrechte niet is vermeld hoe zettingschade ter hoogte van de woning van appellant kan worden voorkomen.

2.4.1.    De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond zich niet richt op het belang dat de Wet bodembescherming beoogt te beschermen en in de onderhavige procedure dan ook geen rol kan spelen. Indien appellant meent dat ten gevolge van de sanering schade is ontstaan, kan hij hiertoe desgewenst een vordering bij de burgerlijke rechter instellen.

   Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5.    Het beroep is ongegrond.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Drouen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

375.