Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200601395/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2006 heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften ingetrokken en aangevuld van de aan verzoekster op 2 oktober 2003 verleende revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor een inrichting voor onder meer de op- en overslag van bulkgoederen op het adres Montrealweg 50 te Rotterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601395/2.

Datum uitspraak: 31 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "European Bulk Services B.V.", gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2006 heeft verweerder met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften ingetrokken en aangevuld van de aan verzoekster op 2 oktober 2003 verleende revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor een inrichting voor onder meer de op- en overslag van bulkgoederen op het adres Montrealweg 50 te Rotterdam.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 20 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 maart 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en C.J. Oerlemans, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.E. in 't Veld, ing. P.H. Kers en ing. J.A. Meinster, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij in het kader van deze procedure geen bezwaar heeft tegen de inwerkingtreding van de voorschriften 6.8, 6.9, 8.2a, 8.18a, 8.18b en 8.18c. In zoverre bestaat geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.3.    Van de bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschriften gaat het met name om brandbestrijdingsvoorschriften en voorschriften die stofhinder moeten voorkomen dan wel zoveel mogelijk moeten beperken. Voorts bevat voorschrift 6.7 de nieuwe verplichting voor verzoekster zich ervan te vergewissen dat het personeel kennis heeft genomen van de inhoud van instructies en dit te registreren. Voorschrift 8.26 bevat de verplichting de inrichting in te delen in gevarenzones met betrekking tot explosiegevaar en preventieve technische en organisatorische maatregelen te treffen in dit verband. Voorschrift 11.8, dat betrekking heeft op bodembescherming, specificeert ten opzichte van het oude voorschrift 11.8 op welke stoffen dit voorschrift betrekking heeft.

2.4.    Verzoekster kan zich niet vinden in de wijzigingen ten opzichte van de onderliggende vergunning. Zij betoogt, kort gezegd, dat deze niet nodig zijn ter bescherming van het milieu. Wat de stofvoorschriften betreft merkt zij nog op dat deze niet naleefbaar zijn.

2.5.    De Voorzitter overweegt dat de vraag of de stofvoorschriften, de brandbestrijdingsvoorschriften en voorschrift 8.26 noodzakelijk zijn ter bescherming van het milieu en de vraag of de stofvoorschriften naleefbaar zijn een nader onderzoek vergen. Eerst de Afdeling zal hier een oordeel over kunnen geven.

   De Voorzitter ziet aanleiding in afwachting van het oordeel van de Afdeling een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de desbetreffende voorschriften worden geschorst. Hij overweegt daartoe, met betrekking tot de stof- en brandbestrijdingsvoorschriften, dat aan de onderliggende vergunning een heel pakket voorschriften is verbonden met het oog op brandbestrijding en het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van stofhinder. Op grond van deze voorschriften is verzoekster deels al gehouden aan hetgeen in de bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschriften is voorgeschreven. Daar komt bij dat het de Voorzitter voorshands niet aannemelijk is geworden dat zodanige stofhinder is te verwachten, respectievelijk dat sprake is van een zodanig gevaarlijke situatie dat met inwerkingtreding van deze voorschriften niet kan worden gewacht. Wat de brandbestrijdingsvoorschriften kan hierbij worden opgemerkt dat verzoekster zich ingevolge voorschrift 8.2a dient te houden aan het gestelde in het door de commandant van de gemeentelijke brandweer goedgekeurde brandbeveiligingsplan.

   Wat voorschrift 8.26 betreft heeft verweerder ter zitting aangegeven dat het van belang is inzicht te verkrijgen in de plaatsen waar zich mogelijk een gevaar voordoet. De Voorzitter overweegt dat verzoekster ingevolge dit voorschrift echter niet enkel de inrichting in gevarenzones moet indelen, maar ook verplicht is tot het treffen van preventieve technische en organisatorische maatregelen. De Voorzitter is van oordeel dat, zeker nu niet zonder meer duidelijk is wat voor maatregelen moeten worden getroffen, in afwachting van de beoordeling van de rechtmatigheid van dit voorschrift door de Afdeling niet van verzoekerster kan worden gevergd aan voorschrift 8.26 te voldoen.

2.6.    Wat de voorschriften 6.7 en 11.8 betreft ziet de Voorzitter gezien de betrekkelijk geringe wijzigingen ten opzichte van de onderliggende vergunning met het oog op het belang van de bescherming van het milieu geen noodzaak voor onmiddellijke inwerkingtreding.

2.7.    Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 13 januari 2006, kenmerk 274400 20212044, behalve voor zover dit betrekking heeft op de voorschriften 6.8, 6.9, 8.2a, 8.18a, 8.18b en 8.18c;

II.    wijst het verzoek voor het overige af;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink    w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2006

190-446.