Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8647

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200507139/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast het vaartuig de [het vaartuig] uit de binnenstad dan wel het Havenatlasgebied te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200507139/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/3903 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 september 1997 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) appellant onder aanzegging van bestuursdwang gelast het vaartuig de [het vaartuig] uit de binnenstad dan wel het Havenatlasgebied te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2005, verzonden op 5 juli 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak no. 200507135/1 ter zitting behandeld op 15 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: VHB), voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot ligplaats in te nemen.

2.2.    Niet in geschil is dat door appellant in strijd met het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van de VHB ligplaats is ingenomen met het vaartuig. Het college was derhalve bevoegd ter zake bestuursdwang toe te passen.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat geen concreet uitzicht bestaat op legalisatie. Daaraan heeft hij de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2005 met reg.nr. AWB 05/1637 (aangehecht) ten grondslag gelegd waarin deze het beroep gericht tegen het besluit van 19 januari 2005, waarbij de besluiten tot afwijzing van aanvragen om een zogenoemde gewone en een zogenoemde speciale ligplaatsvergunning zijn gehandhaafd, ongegrond heeft verklaard.

2.5.    Nu de Afdeling in haar uitspraak van heden in zaak no. 200507135/1 de in 2.4. bedoelde uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd, wordt onder verwijzing naar deze uitspraak van de Afdeling met de voorzieningenrechter geoordeeld dat geen concreet uitzicht bestaat op legalisatie. Evenzeer met juistheid heeft de voorzieningenrechter overwogen dat ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voor het college aanleiding hadden dienen te vormen om in dit geval af te zien van handhaving.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Van Hulst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

402.