Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200507135/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij een tweetal besluiten, verzonden op 19 mei 2004, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de aanvragen van appellant om een gewone en een speciale ligplaatsvergunning voor het innemen van een ligplaats met het vaartuig [het vaartuig] aan de [locatie] te Amsterdam niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200507135/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1637 van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij een tweetal besluiten, verzonden op 19 mei 2004, heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de aanvragen van appellant om een gewone en een speciale ligplaatsvergunning voor het innemen van een ligplaats met het vaartuig [het vaartuig] aan de [locatie] te Amsterdam niet ingewilligd.

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het college de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2005, verzonden op 5 juli 2005, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 september 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 oktober 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak no. 200507139/1 ter zitting behandeld op 15 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 (hierna: VHB) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een woonboot ligplaats in te nemen.

De vergunning is persoons-, ligplaats en vaartuiggebonden.

   Ingevolge artikel 2.2, derde lid, van de VHB, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren in het belang van ordening van het gebruik van het water, de openbare orde, de veiligheid, het milieu en het stadsschoon.

2.2.    Het beleid ten aanzien van, onder meer, woonboten is neergelegd in de "Nota Amsterdam te water 1995" en nadien geëvalueerd in het "Evaluatierapport van de Nota Amsterdam te Water 1995" en aangepast in de "Regeling speciale ligplaatsvergunningen".

Dat beleid komt er, in de kern weergegeven, op neer dat, afgezien van de zogenoemde speciale ligplaatsvergunning, thans nog slechts een ligplaatsvergunning kan worden verleend indien met een vaartuig vanaf 1 januari 1985 onafgebroken ligplaats is ingenomen in het beheersgebied van het college of vóór 1 januari 1989 het vaartuig als woonschip in het Havenatlasgebied aanwezig was (de zogenoemde gedoogrondes).

Ten aanzien van de zogenoemde gewone ligplaatsvergunning:

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór de peildatum van 1 januari 1989 met zijn vaartuig binnen het zogeheten Havenatlasgebied aanwezig was. Volgens appellant heeft hij door het overleggen van foto's, stukken en het geven van een toelichting voldoende aannemelijk gemaakt dat hij wel voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een zogenoemde gewone ligplaatsvergunning.

2.4.    Appellant heeft in zijn hoger-beroepschrift niet geconcretiseerd welke foto's, stukken en toelichting hij bedoelt en wanneer hij deze heeft overgelegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór 1 januari 1989 ligplaats had ingenomen in het Havenatlasgebied. Het college heeft in overeenstemming gehandeld met het hiervoor weergegeven beleid door de aanvraag voor deze ligplaatsvergunning niet in te willigen. Bijzondere omstandigheden die het college tot afwijking van dit beleid noopten zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank is ten aanzien van het vorenstaande tot een juiste conclusie gekomen.

Ten aanzien van de zogenoemde speciale ligplaatsvergunning:

2.5.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Regeling speciale ligplaatsvergunningen (hierna: Regeling) wordt onder peildatum verstaan: 31 juli 1995.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Regeling kan aan de aanvrager de speciale ligplaatsvergunning slechts worden verleend indien:

a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat hij uiterlijk vanaf de peildatum over de ononderbroken eigendom van de boot heeft beschikt;

b. naar het oordeel van burgemeester en wethouders genoegzaam is aangetoond dat hij de boot sedert de peildatum permanent in het beheersgebied heeft bewoond.

De vergunning is vaartuiggebonden en strikt persoonsgebonden.

   Ingevolge artikel 12 van de Regeling kunnen burgemeester en wethouders in de gevallen waarin door deze regeling niet is voorzien overgaan tot verlening, wijziging, weigering of intrekking van de speciale ligplaatsvergunning, indien de bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

2.6.    Appellant betoogt dat de economische eigendom van het vaartuig vanaf de aankoop en ook op de peildatum 31 juli 1995 bij hem berustte en de juridische eigendom bij zijn broer. Hij meent dat op grond van de Regeling, mede gelet op het doel ervan, het hebben van de juridische eigendom van het vaartuig geen vereiste is voor het verkrijgen van een speciale ligplaatsvergunning.

2.7.    Dit betoog faalt. Met de rechtbank wordt gelet op artikel 3, eerste lid, van de Regeling en de toelichting daarop het door het college in bezwaar ingenomen standpunt niet onjuist geacht dat appellant om op grond van deze bepaling in aanmerking te komen voor een speciale ligplaatsvergunning diende aan tonen dat hij ten tijde van belang beschikte over de volledige eigendom van het vaartuig.

2.8.    Voorts stelt appellant dat in elk geval de omstandigheid dat hij eerst economisch eigenaar was van het vaartuig en vervolgens alsnog na de peildatum de juridische eigendomsovergang van het vaartuig van zijn broer op hem heeft plaatsgevonden, het college er toe had moeten brengen artikel 12 van de Regeling toe te passen.

2.9.    Dit betoog faalt evenzeer. Blijkens de toelichting op artikel 12 van de Regeling is het alsnog na de peildatum verwerven van de juridische eigendom een omstandigheid waarmee ten tijde van het vaststellen van de Regeling rekening is gehouden, in die zin dat daarover uitdrukkelijk is overwogen dat het niet de bedoeling is dat personen die de juridische eigendom van de boot hebben verworven na de peildatum worden beschermd door deze regeling aangezien zij wisten, althans behoorden te weten, dat de boot geen legale status had in Amsterdam en zich hebben kunnen laten informeren over de status van de boot. De door appellant gestelde omstandigheid dat na de peildatum alsnog door hem de juridische eigendom van het vaartuig is verworven is dan ook geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college in afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling heeft kunnen overgaan tot verlening van de speciale ligplaatsvergunning aan appellant, ook niet indien hij tevoren al economisch eigenaar van het vaartuig was.

2.10.    Verder betoogt appellant dat inmiddels is gebleken dat in een aantal gevallen wel toepassing is gegeven aan artikel 12 van de Regeling en dat die gevallen (deels) niet fundamenteel verschillen van hetgeen hier aan de hand is.

2.11.    Dit door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep doelt appellant in dit verband op twee gevallen die ook door het college in diens memorie in hoger beroep zijn genoemd. Appellant heeft ten aanzien van deze gevallen niet aannemelijk gemaakt dat deze gelijk zijn. Gevallen die gelijk zijn aan dat van appellant en waarin het college toepassing heeft gegeven aan artikel 12 van de Regeling zijn niet gebleken.

2.12.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Van Hulst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

402.