Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200504849/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2003 heeft appellant een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/98
BR 2006/161
Module Ruimtelijke ordening 2006/1348

Uitspraak

200504849/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Oudewater,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. SBR 04/745 van de rechtbank Utrecht van 28 april 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2003 heeft appellant een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 29 januari 2004 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 april 2005, verzonden op 29 april 2005, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door A.B. den Boer, ambtenaar van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die bepaling ten tijde van belang luidde en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een vrijstelling krachtens artikel 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2.    Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van schade krachtens deze bepaling dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor de verzoeker in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan deze schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld is dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat onder de gelding van het eerdere planologische regime in feite is gerealiseerd niet van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd.

2.3.    [wederpartij], eigenaar en bewoner van de woning [locatie] te [plaats], heeft verzocht om vergoeding van schade, bij hem opgekomen ten gevolge van twee bij besluiten van 27 mei 1997 krachtens artikel 19 (oud) van de WRO verleende vrijstellingen voor de realisering van een supermarkt onderscheidenlijk een appartementengebouw met 34 appartementen ten zuidwesten van zijn woning. De waarde van zijn woning zou ten gevolge van deze besluiten zijn gedaald. In een in zijn opdracht opgesteld taxatierapport is die daling begroot op € 50.000,--.

2.4.    Ten tijde van voormelde besluiten gold voor het gebied, waarop de vrijstelling voor de supermarkt (hierna: vrijstelling) betrekking heeft, het bestemmingsplan "Klein Hekendorp 1982", dat door de raad op 25 november 1982 is vastgesteld, bij besluit van het college van gedeputeerde staten van 31 januari 1984 gedeeltelijk is goedgekeurd en daarna in rechte onaantastbaar is geworden. In dit plan maakte het terrein, waarop met de vrijstelling en een verleende bouwvergunning de supermarkt is gerealiseerd (hierna: het supermarktterrein), deel uit van een gebied met de bestemming "Bedrijven" en de subbestemming "Bh - houtbewerking" (hierna: het bedrijventerrein). Ingevolge artikel 11 van de bij het plan behorende voorschriften, voor zover thans van belang, was het aldus bestemd voor het oprichten van bouwwerken ten dienste van een houtbewerkingsbedrijf, maximaal één dienstwoning per bedrijf, bouwwerken geen gebouwen zijnde, parkeerplaatsen, opslagterreinen, werkterreinen en tuinen bij de gebouwen en mocht het voor 40 procent worden bebouwd met bebouwing met een hoogte van maximaal 7 meter. Op het terrein waren voorts vestigingen ten dienste van ambachtelijke bedrijfsvoering toegestaan, indien ten behoeve daarvan vrijstelling werd verleend. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van die voorschriften, voor zover thans van belang, mochten het terrein en de zich daarop bevindende gebouwen bovendien gebruikt worden voor detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd of bewerkt, in brandgevaarlijke explosieven, milieuverstorende of andere goederen, waarvoor verkoop in woon- of winkelwijken ongewenst is en in goederen, waarvoor op basis van een distributie-planologisch onderzoek een verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten is afgegeven.

2.5.    Appellant heeft het verzoek voor advies voorgelegd aan de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: de Stichting). In haar advies (hierna: stichtingsadvies) heeft deze het bestemmingsplan "Klein Hekendorp 1982" vergeleken met het bestemmingsplan "Westsingel" dat door de raad op 29 mei 1997 is vastgesteld, door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 4 november 1997 is goedgekeurd en daarna in rechte onaantastbaar is geworden. In dit plan, voor zover thans van belang, is het bedrijventerrein grotendeels bestemd met de aanduiding "Verblijfsdoeleinden auto's toegestaan", is het noordwestelijke deel van het terrein, dat naar oppervlakte en vorm vrijwel overeenkomt met dat van de supermarkt, bestemd voor "Detailhandel met bijbehorende erven" en is een strook grond aan de westzijde van het terrein, evenwijdig aan de J.J. Vi erbergenweg, bestemd voor "Woondoeleinden, gestapeld". Ingevolge de bij dat plan behorende voorschriften, voor zover thans van belang, is het noordwestelijk deel van het terrein met de bestemming "Detailhandel met bijbehorende erven" bestemd voor detailhandelsbedrijven, met de daarbij horende bouwwerken, open terreinen en parkeervoorzieningen en mogen ter plaatse gebouwen alleen binnen het bebouwingsvlak worden opgericht met een maximale bebouwingshoogte van 4 meter, behoudens een zuidelijk gedeelte van dit bebouwingsvlak, waar een maximale bebouwingshoogte van 7 meter is toegestaan. Met toepassing van een algemene vrijstellingsbevoegdheid mag, voorzover thans van belang, overschrijding van  de bebouwingsgrenzen met ten hoogste 1,5 meter worden toegestaan ten behoeve van luifels en soortgelijke ondergeschikte bouwdelen.

   De Stichting heeft op grond van deze planvergelijking geadviseerd dat [wederpartij] ten gevolge van de nieuwe bestemming voor het supermarktterrein niet in een planologisch nadeliger positie is geraakt en dat het verzoek ware af te wijzen. Appellant heeft het verzoek conform het advies afgewezen.

   Appellant heeft het daartegen gerichte bezwaarschrift van [wederpartij] ter advisering voorgelegd aan de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie adviseerde dat de Stichting ten onrechte een planvergelijking tussen voornoemde bestemmingsplannen heeft gemaakt en niet tussen bestemmingsplan "Klein Hekendorp 1982" en de verleende vrijstellingen. Zij achtte de uitgevoerde planvergelijking bovendien op onderdelen onjuist en adviseerde dat de oprichting van de supermarkt voor [wederpartij] planologisch nadeel kan opleveren. De commissie kwam tot de conclusie dat het primaire besluit onvoldoende was gemotiveerd en adviseerde het bezwaarschrift van [wederpartij] gegrond te verklaren.

   Appellant heeft het bezwaarschrift op grond van een naar aanleiding van het advies van de commissie verzocht nader advies van de Stichting ongegrond verklaard.

2.6.    De rechtbank heeft overwogen dat appellant het bestemmingsplan "Klein Hekendorp 1982" ten onrechte alleen met het nieuwe bestemmingsplan "Westsingel" heeft vergeleken en niet ook met de vrijstellingen. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat [wederpartij] om vergoeding van schade ten gevolge van de vrijstellingen heeft verzocht en het nieuwe plan en de vrijstellingen wat betreft de bouwmogelijkheden van elkaar verschillen.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het bestemmingsplan "Westsingel" en de vrijstellingen één planologisch regime vormen, nu de vrijstellingsbesluiten op 27 mei 1997 zijn vastgesteld en het bestemmingsplan "Westsingel" op 29 mei 1997. Volgens appellant is met de vrijstellingen op dit bestemmingsplan geanticipeerd, zoals de wetgever bedoeld heeft.

2.7.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vrijstelling voor het supermarktterrein en het bestemmingsplan "Westsingel" wat betreft de bouwmogelijkheden van elkaar verschillen. Met behulp van deze vrijstelling is, voor zover thans van belang, het aanbrengen van een luifel van 2 meter aan de zuidelijke en zuidwestelijke gevel van de supermarkt vergund en is noordelijk van de supermarkt op een strook grond (hierna: de bevoorradingsstrook) een overkapping bestaande uit twee wanden met een dak vergund. Ingevolge de voorschriften van het bestemmingsplan "Westsingel" mag ter plaatste slechts vrijstelling ten behoeve van een luifel van maximaal 1,5 meter worden verleend. Verder mag de bevoorradingsstrook volgens dat plan niet met gebouwen worden bebouwd. De vrijstelling voor het supermarktterrein staat derhalve meer bebouwing toe dan het bestemmingsplan "Westsingel". De Stichting heeft deze vrijstelling dan ook ten onrechte niet bij de planvergelijking betrokken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan en heeft de beslissing op bezwaar terecht op deze grond vernietigd.

2.8.    De rechtbank heeft vervolgens met het oog op het nieuwe besluit en naar aanleiding van een verzoek van [wederpartij] daartoe ter zitting een aantal overwegingen gewijd aan aspecten, waarmee appellant bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar rekening zou moeten houden. De rechtbank heeft evenwel niet onderzocht of aanleiding bestond om toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Afdeling zal daar thans op ingaan.

2.9.    [wederpartij] heeft bij de rechtbank aangevoerd dat hij ten gevolge van het nieuwe planologische regime hinder ondervindt door toename van de verkeers- en parkeerdruk op de Westsingel vanwege de klanten van de supermarkt, geluidoverlast vanwege de bevoorrading van de supermarkt, visuele hinder vanwege de opslag van emballage bij de supermarkt, verkeersonveilige situaties door geparkeerde, ladende en lossende vrachtwagens op de Westsingel. Verder heeft hij betoogd dat zijn woning door de toename van het bouwvolume in waarde is gedaald. Dat blijkt volgens [wederpartij] uit de omstandigheid dat de waarde van zijn woning in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ) in verband met de bouw en exploitatie van de supermarkt op een lager bedrag is vastgesteld en uit een in zijn opdracht opgestelde taxatierapport.

2.9.1.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de voorschriften behorende bij  het voorheen geldende bestemmingsplan "Klein Hekendorp 1982", voor zover thans van belang, was het toegestaan gronden en gebouwen op het supermarktterrein te gebruiken voor verschillende vormen van detailhandel. Ingevolge deze bepaling konden bestaande bedrijfsgebouwen worden gebruikt voor de exploitatie van een supermarkt. Hinder van de met vrijstelling gerealiseerde supermarkt had zich, wat daarvan ook zij, derhalve ook onder het vorige planologische regime kunnen voordoen, zodat in zoverre geen sprake is van een planologisch nadeel.

   De door [wederpartij] gestelde toename van het bouwvolume op het bedrijventerrein onder het nieuwe planologische regime is geheel het gevolg van de realisering van het appartementengebouw. Nu [wederpartij] ter zitting heeft verklaard dat het verzoek alleen de schade ten gevolge van de oprichting en exploitatie van de supermarkt betreft, kan die toename derhalve onbesproken blijven.

   Ten aanzien van de door [wederpartij] gestelde hinder van het laden en lossen van geparkeerde vrachtwagens op de Westsingel wordt overwogen  dat appellant bij de rechtbank, door [wederpartij] niet weersproken, heeft gesteld dat op de Westsingel een stopverbod geldt. Voor zover in strijd met dat verbod wordt geparkeerd, biedt artikel 49 van de WRO, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van onder meer 28 november 2001 in zaak no. 200100834/1, AB 2002/127, en 17 maart 2004 in zaak no. 200301172/1, geen grondslag voor de vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade.

   Ook voor zover [wederpartij] wijst op de, naar hij stelt, verlaagde WOZ-waarde van zijn woning, faalt zijn betoog. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2005 in zaak no. 200409700/1), vindt de bepaling van de WOZ-waarde niet plaats aan de hand van de criteria die van belang zijn voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van planschade. Bovendien kan de WOZ-waarde van een woning eerst aan de orde komen in het kader van de bepaling van de omvang van eventuele planschade, nadat een bestemmingsplan of een andere in artikel 49 van de WRO bedoelde planologische maatregel daadwerkelijk tot een verslechtering heeft geleid ten opzichte van de mogelijkheden onder het daarvoor vigerende regime.

   Het beroep van [wederpartij] op het op zijn verzoek opgestelde taxatierapport slaagt evenmin, nu dat rapport niet is gebaseerd op een vergelijking tussen hetgeen maximaal mogelijk was op grond van het vorige bestemmingsplan "Klein Hekendorp 1982" en op grond van het nieuwe planologische regime, maar daarin is uitgegaan van de feitelijke situatie.

2.10.    Nu het nieuwe planologische regime voor [wederpartij] aldus geen planologisch nadeel oplevert en een nieuw te nemen beslissing op het door hem gemaakte bezwaar uitsluitend kan strekken tot handhaving van de primaire afwijzing, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit ten onrechte niet met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten. Hieruit volgt dat zij appellant ten onrechte heeft opgedragen een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar te nemen.

2.11.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover daarbij het besluit van appellant van 29 januari 2004 is vernietigd, maar komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit daarbij niet in stand zijn gelaten en appellant is opgedragen een nieuwe beslissing op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar te nemen. De Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 januari 2004 in stand blijven.

2.12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 april 2005, SBR 04/745, doch uitsluitend voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit daarbij niet in stand zijn gelaten en is bepaald dat de raad binnen zes weken na verzending van haar uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van [wederpartij];

III.    bevestigt de uitspraak voor het overige

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

164-507.