Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200506614/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) het verzoek van appellant om ten aanzien van de percelen van Staatsbosbeheer en [belanghebbende] gelegen aan de Wilhelminadijk te Hoofdplaat handhavend op te treden als bedoeld in de Distelverordening Zeeland 1993 (hierna: de Distelverordening) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 207

Uitspraak

200506614/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/88 van de rechtbank Middelburg van 20 juni 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) het verzoek van appellant om ten aanzien van de percelen van Staatsbosbeheer en [belanghebbende] gelegen aan de Wilhelminadijk te Hoofdplaat handhavend op te treden als bedoeld in de Distelverordening Zeeland 1993 (hierna: de Distelverordening) afgewezen.

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college aan appellant meegedeeld dat er geen aanleiding is om bestuursdwang toe te passen.

Bij besluit van 18 januari 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, het door appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 28 juli 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2006, waar appellant, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door M.A.C. Laros, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1 van de Distelverordening, voor zover thans van belang, is de gebruiker van landbouwgronden, of bij gebreke van dien, de eigenaar van gronden verplicht deze te zuiveren van de distelsoorten Cirsium arvense (akkerdistel) en Sonchus arvensis (akkermelkdistel) voordat deze tot bloei komen, voor zover het betreft landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend.

   Ingevolge artikel 2 van de Distelverordening zenden burgemeester en wethouders van de gemeente in welke de gronden liggen, al dan niet na overleg met of verkregen advies van de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie, indien zij van oordeel zijn dat de bij artikel 1 opgelegde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen, de gebruiker, of bij gebreke van dien, de eigenaar bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, een schriftelijke lastgeving om zijn gronden binnen een in de lastgeving genoemde termijn van distels te zuiveren.

   Ingevolge artikel 3 van de Distelverordening, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders, indien de gebruiker, of bij gebreke van dien, de eigenaar nalaat om binnen de krachtens het vorig artikel gestelde termijn gevolg te geven aan de hem verstrekte last, bij de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 152 van de Gemeentewet, gebruik maken van de voor de zuivering van gronden in het bijzonder aangewezen middelen.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat tijdens een controle op 12 augustus 2004 geen distels zijn aangetroffen en op 21 en 29 september 2004 binnen de zone van 30 meter maar enkele bloeiende distels, en dat in de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat de situatie ten tijde van de controles anders was dan door het college is vastgesteld. Daartoe voert appellant aan dat er op het moment van de besluitvorming in verband met de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden distels alle reden was voor het college om tot handhaving over te gaan.

   Voorts voert appellant aan dat het college verplicht is te handhaven wanneer binnen de 30 meter zone bloeiende distels aanwezig zijn. De rechtbank heeft volgens hem miskend dat uit de tekst van artikel 1 van de Distelverordening blijkt dat de Distelverordening het college geen beoordelingsruimte biedt. Voor zover het college hierin wel vrijheid zou hebben, betoogt appellant dat het college buiten de grenzen daarvan is getreden. Hij voert aan dat niet op grond van bijzondere omstandigheden kon worden afgezien van handhaving in verband met de schade die hij lijdt en de overlast die hij ondervindt door de aanwezige distels. De rechtbank is zijns inziens ten onrechte voorbijgegaan aan het feit dat het college ongemotiveerd heeft gesteld dat de overlast voor hem minimaal zou zijn.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden om aan te nemen dat de situatie ten tijde van de controles anders was dan door het college is vastgesteld. Appellant heeft ter zitting bij de Afdeling niet bestreden dat ten tijde van het besluit van 4 oktober 2004 binnen de zone van 30 meter slechts enkele bloeiende distels zijn aangetroffen. Dat de percelen van Staatsbosbeheer en [belanghebbende], voor zover het betreft landbouwgronden en een strook van 30 meter daaraan grenzend, van distels gezuiverd dienen te zijn voordat ze in bloei staan, betekent niet dat het college tegen de aanwezigheid van iedere distel handhavend moet optreden.

   Naar het oordeel van de Afdeling behoefde het college in dit geval in redelijkheid niet tot zodanig optreden over te gaan. Daarbij is van belang dat blijkens hetgeen ten tijde van het besluit van 4 oktober 2004 is vastgesteld, sprake is van een overtreding van zeer geringe aard en ernst en dat niet aannemelijk is geworden dat de belangen van appellant door de aanwezigheid van hoogstens enkele distels zijn geschaad. Voorts is van belang dat niet is gebleken dat de belangen van derden worden geschaad door het achterwege blijven van handhavend optreden. Derhalve zou het treffen van handhavingsmaatregelen jegens Staatsbosbeheer en [belanghebbende] zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden behoorde te worden afgezien. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college zich - gelet op de feitelijke situatie - op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen grond aanwezig is voor handhavend optreden.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Klein

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006.

176-440.