Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200504845/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2003 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) de aan appellante toegekende huursubsidie voor de woning [locatie] te [plaats], gemeente [plaats], (hierna: de woning) over het tijdvak 1 juli 2001 - 1 juli 2002 (hierna: het subsidiejaar) herzien en op nihil gesteld, alsmede de uitgekeerde huursubsidie ad € 644,37 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200504845/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/708 van de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2003 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) de aan appellante toegekende huursubsidie voor de woning [locatie] te [plaats], gemeente [plaats], (hierna: de woning) over het tijdvak 1 juli 2001 - 1 juli 2002 (hierna: het subsidiejaar) herzien en op nihil gesteld, alsmede de uitgekeerde huursubsidie ad € 644,37 teruggevorderd.

Bij besluit van 14 juni 2004 heeft de Minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2005, verzonden op 27 april 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 2 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 november 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. E. van Wolde, rechtshulpverlener bij bureau Rechtshulp Noord te Groningen, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef, van de Huursubsidiewet, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang (hierna: de Hsw) wordt verstaan onder rekenhuur de huurprijs die de huurder op de peildatum per maand is verschuldigd, of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens artikel 15, eerste lid, van de Huurprijzenwet woonruimte (hierna: de Hpw) daarover gestelde regels.

   In het tweede lid van artikel 5 van de Hsw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat alleen wanneer de huurcommissie of haar voorzitter aan de Minister een advies heeft uitgebracht, dan wel een verklaring heeft verstrekt, over de redelijk te achten huurprijs, het in de aanhef van het eerste lid als laatstgenoemde bedrag in aanmerking kan worden genomen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Hsw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is de normhuur het gedeelte van de rekenhuur dat ten minste voor rekening van de huurder blijft. Krachtens artikel 16, tweede en derde lid, in samenhang met artikel 17, tweede lid, van de Hsw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, bedraagt de voor appellante toepasselijke normhuur ƒ 366,00 (€ 166,08).

   Ingevolge artikel 11a, eerste lid, van de Hpw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, kan de huurder de huurcommissie schriftelijk en met redenen omkleed verzoeken uitspraak te doen over de vraag of partijen slechts de hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs zijn overeengekomen, indien een overeenkomst van huur en verhuur meer omvat dan het enkele gebruik van woonruimte en partijen bij die overeenkomst slechts de hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs zijn overeengekomen.

   Ingevolge artikel 11a, tweede lid, van de Hpw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, spreekt de huurcommissie een huurprijs uit van 55% van de ingevolge de Hpw geldende maximale huurprijsgrens uit, indien partijen een prijs zijn overeengekomen die meer omvattend is dan de kale huur.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Hpw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gegeven voor de beoordeling door de huurcommissie van de kwaliteit van woonruimte en van de redelijkheid van wijzigingen van de huurprijs alsmede van de redelijkheid van huurprijzen als bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de Hpw.

   In het Besluit huurprijzenwet woonruimte (hierna: het Besluit) en de daarbij behorende bijlagen, is het waarderingsstelsel vastgelegd voor de kwaliteit van woningen. Voor het tijdvak 1 juli 2001 tot 1 juli 2002 is in de Regeling vaststelling maximale huurprijsgrenzen woonruimten 2001/2002 en de daarbij behorende bijlagen vastgesteld welke maximale huurprijzen gelden voor zelfstandige woningen, uitgaande van de kwaliteit van de woonruimte, uitgedrukt in een aantal punten.

2.2.    De voorzitter van de huurcommissie te Leeuwarden heeft, in verband met de huursubsidieaanvraag van appellante, schriftelijk verklaard dat de woning moet worden gewaardeerd op 66 punten, dat er sprake is van een "all-in" huur en dat de minimaal redelijke huurprijs op grond van artikel 11a van de Hpw voor het subsidiejaar ƒ 322,78 (€ 146,48) per maand bedraagt. Dit bedrag is door de Minister aangemerkt als de rekenhuur. Als gevolg hiervan heeft de Minister - nu het bedrag lager is dan de toepasselijke normhuur van ƒ 366,00 (€ 166,08) - de huursubsidie op nihil vastgesteld.

2.3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat van de zijde van appellante niet is bestreden dat zij maandelijks voor de woning een "all in" prijs betaalt, waarin een vast bedrag voor gas, licht en water en dergelijke is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister terecht de voor de woning van appellante geldende maximale huurprijsgrens van € 266,32 met de factor 0,55 vermenigvuldigd, gelet op artikel 11a van de Hpw, en is de Minister terecht uitgegaan van een rekenhuur ten bedrage van € 146,48.

2.4.    Appellante komt op tegen dit oordeel van de rechtbank. Appellante heeft er op gewezen dat in het huurcontract staat dat een kale huurprijs van ƒ 650,00 (€ 294,96) per maand is overeengekomen en dat de bijkomende kosten ƒ 150,00 (€ 68,07) bedragen, zodat zij in totaal per maand ƒ 800,00 (€ 363,02) betaalde. Nu partijen bij de huurovereenkomst niet slechts de hoogte van de prijs, maar zowel de hoogte van de huurprijs als de hoogte van de bijkomende kosten zijn overeengekomen, is de rechtbank volgens appellante ten onrechte uitgegaan van "all in" huur en is ten onrechte artikel 11a van de Hpw toegepast.

2.4.1.    Artikel 11a is een bepaling uit de Hpw, die regelt dat - op verzoek van de huurder - de huurcommissie kan vaststellen of er sprake is van een prijs die meer omvat dan de kale huur. Als dat zo is, dan luidt de uitspraak van de huurcommissie dat de huurprijs een bedrag is van 55% van de maximale huurprijsgrens.

Artikel 5, eerste en tweede lid, van de Hsw verwijzen expliciet naar de maximale huurprijsgrens, te bepalen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Hpw. Deze bepalingen, noch de op artikel 15, eerste lid, van de Hpw gebaseerde bepalingen, verwijzen naar artikel 11a van de Hpw of verklaren dit artikel op enigerlei wijze van (overeenkomstige) toepassing. De Hsw biedt dan ook geen grondslag voor de toepassing van artikel 11a van de Hpw.

Uit het bezwaarschrift en het daarbij overgelegde huurcontract kan voorts worden opgemaakt dat de kale huur voor de woning ƒ 650,00 (€ 294,96) bedroeg. Nu dit bedrag hoger is dan de maximaal redelijke huurprijs voor deze woning diende, op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de Hsw, de ingevolge de Hpw geldende maximale huurprijsgrens in aanmerking te worden genomen. Gelet op het vorenstaande is in het besluit van 14 juni 2004 ten onrechte uitgegaan van de minimaal redelijke huur die geldt voor de woning, zodat dit besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellante slaagt in zoverre.

2.5.    Appellante heeft voorts aangevoerd dat de Minister, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, uit had moeten gaan van een waardering van de woning van 73 punten in plaats van 66 punten.

2.5.1.    Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is de Afdeling van oordeel dat de discrepantie tussen enerzijds de verklaring van de voorzitter van de huurcommissie en anderzijds de uitspraak van de huurcommissie, niet kan zijn veroorzaakt door een verschillend beoordelingsmoment, nu uit de stukken blijkt dat beide waarderingen zien op dezelfde periode.

   De Afdeling kan zonder nader onderzoek niet overzien welk van de twee standpunten juist is, onder meer omdat onduidelijk is of de door de huurcommissie uitgesproken huurprijs tussen partijen is gaan gelden op grond van artikel 17, achtste lid, van de Hpw, zoals deze bepaling indertijd luidde. De Minister zal op dit punt, in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van zijn nieuwe beslissing op bezwaar, onderzoek moeten verrichten en gemotiveerd moeten aangeven welke waardering naar zijn oordeel moet worden gevolgd.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaren en het besluit van 14 juni 2005 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Minister dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

2.7.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld van het hoger beroep. Van proceskosten in eerste aanleg die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2005, 04/708;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 juni 2004, Boba Huur_25/VBC1/046;

V.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 243,00 (zegge: tweehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

97-514.