Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8636

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200508256/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om afgifte van een medische verklaring klasse JAA I.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508256/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05-21 van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Staatssecretaris) afwijzend beslist op het verzoek van appellant om afgifte van een medische verklaring klasse JAA I.

Bij besluit van 27 april 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2002 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen het besluit van 27 april 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 17 november 2004 heeft de Staatssecretaris het door appellant tegen het besluit van 20 juli 2000 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2005, verzonden op 23 augustus 2005, heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 17 november 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de uitspraak van 18 augustus 2005 heeft appellant bij brief van 26 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 september 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 november 2005 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, advocaat te Utrecht, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.H.H. Bisschoff, werkzaam bij het Ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart is het verboden een luchtvaartuig te bedienen zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.

       Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig het bezit vereist van:

a. een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling, [..]

b. […].

Betrokkene dient in geval van toepassing van onderdeel a tevens in het bezit te zijn van een geldige medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4, afgegeven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel door de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat.

       Ingevolge het vierde lid kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens dit artikel, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.    

       Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Wet luchtvaart, geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op aanvraag een bewijs van bevoegdheid af, wanneer, voor zover hier van belang, degene die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd een geldige medische verklaring is verstrekt.        Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Wet luchtvaart, geeft Onze Minister van Verkeer en Waterstaat op aanvraag de medische verklaring, bedoeld in artikel 2.2, af, indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor betrokkene een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.

   Ingevolge het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan worden afgegeven.

2.1.1.    Het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart (hierna: het Besluit) strekt tot uitvoering van artikel 2.4, vierde lid, van de Wet luchtvaart.    

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, van het Besluit wordt ten behoeve van een door Onze Minister, al dan niet onder beperkingen, af te geven medische verklaring, degene die zulk een verklaring heeft aangevraagd gekeurd door een geneeskundige of door een geneeskundige instantie.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, kan Onze Minister in ieder geval regels geven met betrekking tot de eisen van medische geschiktheid en de beperkingen waaronder de medische verklaring kan worden afgegeven.

   Ingevolge artikel 32, eerste lid, van het Besluit kan Onze Minister ten behoeve van de beslissing op bezwaar tegen een beschikking met betrekking tot een medische verklaring advies inwinnen bij een door Onze Minister ingestelde Adviescommissie.

2.1.2.    In de Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart (hierna: de Regeling) zijn regels gegeven als bedoeld in artikel 30, tweede lid, aanhef en onder f, van het Besluit.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, voor zover hier van belang, worden de medische keuringen klasse 1, 2 en 3 uitgevoerd en de hieruit resulterende adviesrapportages aan de minister opgesteld met inachtneming van de medische eisen, voorgeschreven keuringsmethoden, voorgeschreven procedures, alsmede de eisen gesteld aan de adviesrapportage, zoals bedoeld in Joint Aviation Requirements- Flight Crew Licensing (hierna: JAR-FCL) 3 subdeel B voor klasse 1.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, kan de minister, al dan niet onder beperkingen, een medische verklaring klasse 1, 2 of 3 afgeven of verlengen als:

a. […],

b. hij een adviesrapportage van een geautoriseerde geneeskundige instantie of geneeskundige daartoe heeft ontvangen,

c. voldaan is aan artikel 13, eerste lid, en

d. de gezondheidstoestand van de aanvrager zodanig is dat met afgifte of verlenging de veiligheid niet in gevaar kan worden gebracht.

   Ingevolge het vijfde lid kan de minister onder meer een aantal nader genoemde beperkingen aan een af te geven of te verlengen medische verklaring verbinden. In een medische verklaring kunnen voorts speciale instructies worden opgenomen.

2.1.3.    Ingevolge JAR-FCL 3.210 onder (b) moet onder meer bijzondere aandacht worden besteed aan epilepsie en andere convulsieve stoornissen (zie bijlage 11 bij subdeel B).    

   Onder (c) is bepaald dat elektro-encefalografie is vereist bij de initiële keuring (bijlage 11 bij subdeel B) en wanneer geïndiceerd door de voorgeschiedenis van de kandidaat of op klinische gronden.

   In bijlage 11 bij subdelen B en C is onder (3) bepaald dat paroxysmale EEG-afwijkingen leiden tot afkeuring.

2.2.        Bij besluit van 20 juli 2000 heeft de Staatssecretaris geweigerd appellant een medische verklaring te verstrekken, omdat bij de op 29 juni 2000 door het Aviation Medical Center (AMC) verrichte vliegmedische keuring het elektro-encefalogram (hierna: EEG) afwijkingen te zien gaf.

       Bij de beslissing op bezwaar van 17 november 2004 heeft de Staatssecretaris dit besluit, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie medische verklaringen voor de luchtvaart (hierna: de Adviescommissie) van 22 oktober 2004, gehandhaafd.  

2.3.        Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Adviescommissie een onjuist criterium heeft gehanteerd en dat het besluit van de Staatssecretaris dientengevolge tot een onjuiste toepassing van de regelgeving heeft geleid. Volgens appellant heeft de Adviescommissie de drie door haar geraadpleegde deskundigen tijdens het "geleerd" driegesprek ten onrechte afgehouden van een medische interpretatie van de geconstateerde afwijkingen op het EEG.

2.3.1.    Dit betoog slaagt niet. Tijdens het door de Adviescommissie geëntameerd "geleerd" gesprek tussen de drie deskundigen hebben twee deskundigen zich op het standpunt gesteld dat de afwijkingen op het EEG van appellant als epileptiforme paroxysmen moeten worden geduid en heeft de derde deskundige zich op het standpunt gesteld dat daarvan geen sprake is, dat de waargenomen verschijnselen passen bij een beginnend slaappatroon en dat het hier een normale variant betreft. De beide andere deskundigen hebben dit betwist, omdat er voor een beginnend slaappatroon te weinig doezelactiviteit op de EEG registratie aanwezig is. Zij hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat de waargenomen afwijkingen niet als variant op het normale patroon zijn aan te merken.

   Aldus hebben de deskundigen aan de op de EEG registratie waargenomen verschijnselen een - uiteenlopende - medische uitleg gegeven.

   De voorzitter van de Adviescommissie heeft tijdens het "geleerd" gesprek terecht opgemerkt dat de vermelding "interpretatieve term" bij de omschrijving van epileptiform patroon in sectie 2 van de JAR-FCL 3, hoofdstuk 12, paragraaf 8, betrekking heeft op een dergelijke medische interpretatie door deskundigen van hetgeen zij waarnemen op het EEG in het traject dat leidt tot hun bevinding over het al dan niet bestaan van een epileptiform patroon en dat, is eenmaal vastgesteld dat sprake is van  epileptiforme paroxysmale EEG-afwijkingen, uit het bepaalde in het JAR-FCL voortvloeit dat de betrokkene niet medisch geschikt wordt bevonden voor klasse I. De voorzitter van de Adviescommissie heeft een discussie tijdens het "geleerd" gesprek over de medisch-wetenschappelijke houdbaarheid van deze in het JAR-FCL neergelegde implicatie van een afwijkend EEG bij een overigens gezond persoon in dit verband terecht niet relevant geacht; de juridische consequentie van geconstateerde epileptiforme paroxysmale EEG-afwijkingen - afkeuring - volgt uit de regelgeving.

   De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de Staatssecretaris het advies van de Adviescommissie niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat advies is in belangrijke mate gebaseerd op het oordeel van de meerderheid van de bij het "geleerd" gesprek aanwezige deskundigen dat bij appellant sprake is van epileptiforme paroxysmale EEG-afwijkingen, waarmee het oordeel wordt onderschreven van twee in een eerder stadium geraadpleegde deskundigen. In zoverre onderscheidt deze zaak zich van de door appellant aangehaalde zaak van mevrouw C. Meijer, waarin twee van de drie betrokken deskundigen hadden verklaard dat het desbetreffende EEG geen afwijkingen vertoonde.

2.4.         Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroep op artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart. Volgens hem komt hij in aanmerking voor een ontheffing van het vereiste bezit van een geldige medische verklaring, omdat niet kan worden aangetoond dat de waargenomen afwijkingen op het EEG leiden tot een verhoogd risico op epilepsie of een epileptische aanval.

2.4.1.    Het betoog van appellant leidt ertoe dat van het bepaalde in bijlage 11, subdelen B en C onder (3) JAR-FCL reeds ontheffing zou moeten worden verleend, omdat het door de wetgever aangenomen verhoogde risico niet zou zijn aangetoond. De ontheffingsmogelijkheid van artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart is de minister evenwel niet gegeven om de beslissing van de wetgever, dat degene bij wie paroxysmale EEG-afwijkingen zijn geconstateerd medisch niet geschikt is een burgerluchtvaartuig te bedienen, te redresseren. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart aangevoerd. Gelet hierop heeft de Staatssecretaris appellant terecht geen ontheffing verleend van het voorgeschreven bezit van een geldige medische verklaring. Hoewel appellant kan worden toegegeven dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet voldoende is gemotiveerd, ziet de Afdeling in dit betoog van appellant geen aanleiding die uitspraak te vernietigen.

2.5.        Appellant heeft ter zitting gewezen op gevallen waarin medische verklaringen zijn verstrekt aan personen die evenmin aan de medische eisen voor klasse 1 voldoen.

2.5.1.    De Staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat alleen als overgangsmaatregel medische verklaringen zijn afgegeven aan personen die niet langer aan de medische eisen voldeden door aanscherping van die eisen. Aan die medische verklaringen is echter steeds een beperking in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Wet luchtvaart verbonden, in die zin dat het slechts een nationaal vliegbrevet betreft.

   Aangezien deze overgangsmaatregel niet op appellant van toepassing is, is van vergelijkbare gevallen geen sprake. Voor zover appellant heeft bedoeld een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit beroep derhalve niet.

2.6.        Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met aanvulling van de gronden waarop deze rust.

2.7.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Visser

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

148.