Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200506418/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dierenverblijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Buurmalsen, sectie […], nr. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/147
JOM 2006/1444

Uitspraak

200506418/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2744 van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een dierenverblijf op het perceel, kadastraal bekend gemeente Buurmalsen, sectie […], nr. […].

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 18 september 2003 herroepen en alsnog geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 21 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 21 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

[partij] is ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2006, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman, en het college, vertegenwoordigd door N.H.I. van Berkel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Vast staat dat het bouwplan inmiddels op zeven meter afstand van de in de bouwvergunning voorziene locatie is verwezenlijkt.

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen belang hebben bij de beoordeling van hun beroep.  Appellanten voeren daartoe aan dat zij belang hebben bij het verkrijgen van een rechtens onaantastbare bouwvergunning voor het oprichten van een dierenverblijf op de locatie, aangewezen in het bouwplan. De omstandigheid dat het bouwwerk inmiddels zeven meter verderop is verwezenlijkt, doet hieraan niet af, aldus appellanten.

2.2.1.    Het betoog slaagt. De omstandigheid dat het bouwplan inmiddels is uitgevoerd op een andere locatie dan waarvoor de bouwvergunning is verleend, kan niet leiden tot de gevolgtrekking van de rechtbank dat appellanten geen belang meer hebben bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 31 augustus 2004. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat appellanten het bouwwerk niet zouden willen oprichten, indien zij daartoe als uitvloeisel van de bouwvergunning gerechtigd zouden zijn. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kunnen appellanten daarom niet worden geacht geen belang meer te hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen de weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het bouwwerk op de oorspronkelijke plaats.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellanten beoordelen in het licht van de daartegen overigens in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

2.4.    Appellanten hebben in beroep aangevoerd dat het college het bezwaarschrift van [partij] ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.4.1.    Ingevolge artikel 6:11 van de Awb, voor zover thans van belang, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

   Ingevolge artikel 41 van de Woningwet wordt van een aanvraag om bouwvergunning binnen twee weken na ontvangst daarvan door burgemeester en wethouders kennisgegeven in een van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis-blad.

2.4.2.     Het besluit van 18 september 2003 is verzonden op dezelfde dag, zodat de bezwaartermijn eindigde op 31 oktober 2003. [partij] heeft bij brief van 8 december 2003, ingekomen bij het college op 15 december 2003, daartegen bezwaar gemaakt. Derhalve is dat bezwaarschrift buiten de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn ingediend.

2.4.3.    De bouwaanvraag en de bouwvergunning zijn gepubliceerd in het huis-aan-huisblad Nieuwsblad Geldermalsen van onderscheidenlijk 26 juni 2003 en 18 september 2003. In beide publicaties is de plaats waar het bouwplan is voorzien niet nader aangeduid. Volstaan is met de plaatsaanduiding "Rijksstraatweg (ong.)". Bij gebreke van een nadere aanduiding van het perceel hoefde [partij] niet te veronderstellen dat het bouwplan het naastgelegen perceel betrof. Niettemin heeft het college niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift ten onrechte achterwege gelaten. Daarbij is van belang dat, blijkens de stukken - waaronder met name het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank - en het verhandelde ter zitting van de Afdeling, [partij] omstreeks oktober 2003 het vermoeden kreeg dat er mogelijk op het belendende perceel gebouwd zou gaan worden. Voorts heeft [partij] erkend in oktober of november daarover met de gemeente contact te hebben opgenomen. Nu [partij] eerst bij brief van 8 december 2003 een bezwaarschrift heeft ingediend, kan niet worden staande gehouden dat zij dit bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs verlangd kan worden.

2.5.    Het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 31 augustus 2004 is gegrond. Hetgeen appellanten voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 31 augustus 2004 vernietigen en het bezwaarschrift van [partij] niet-ontvankelijk verklaren.

2.6.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2005, in zaak no. AWB 04/2744;

III.    verklaart het in die zaak door appellanten ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen van 31 augustus 2004, kenmerk BM/0309123;

V.    verklaart het bezwaarschrift van 8 december 2003 van [partij] niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: duizend tweehonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Geldermalsen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de gemeente Geldermalsen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 343,00 (zegge: driehonderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

313-392.