Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8632

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200505679/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de over het tijdvak 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 krachtens de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) aan appellant toegekende huursubsidie gewijzigd van ƒ 3.864,00 (€ 1.753,41) in nihil en het uitgekeerde bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200505679/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 03/3588 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 mei 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris (thans: de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de over het tijdvak 1 juli 2000 tot 1 juli 2001 krachtens de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) aan appellant toegekende huursubsidie gewijzigd van ƒ 3.864,00 (€ 1.753,41) in nihil en het uitgekeerde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 8 oktober 2002 heeft de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) de over het tijdvak 1 juli 2001 tot 1 juli 2002 krachtens de Hsw aan appellant toegekende huursubsidie gewijzigd van ƒ 4.020,00 (€ 1.824,20) in nihil en het uitgekeerde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 14 juli 2003 heeft de Minister de daartegen door appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2005, verzonden op 19 mei 2005, heeft de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 30 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 oktober 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 9 november 2005 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.C.J. Smallenbroek, advocaat te Leiderdorp, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In artikel 4, eerste lid, van de Hsw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat onder rekenvermogen wordt verstaan het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

   In artikel 1, aanhef en onder l en n, van de Hsw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat onder peiljaar wordt verstaan het kalenderjaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar en dat onder subsidiejaar wordt verstaan het tijdvak dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar.

   In artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hsw, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, is bepaald dat geen huursubsidie wordt toegekend als het rekenvermogen meer dan € 18.378,10 bedraagt, bij een eenpersoonshuishouden, als de huurder op de laatste dag van het subsidiejaar jonger is dan 65 jaar.

   In artikel 56a, aanhef en onder c, van de Hsw, zoals dit artikel luidde nadat het werd ingevoerd door de Wet van 14 december 2000, houdende aanpassingswet Wet inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2000, 571), is bepaald dat voor zover de aanvraag om toekenning van huursubsidie betrekking heeft op het subsidiejaar dat eindigt vóór 1 juli 2002, voor de toepassing van artikel 4, eerste lid, onder rekenvermogen moet worden verstaan: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners op 1 januari 2000.

2.2.    Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 14 juli 2003 vernietigd wegens een mandaatgebrek en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Appellant is uitsluitend opgekomen tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen.

2.3.    Appellant betoogt dat de Minister geen besluit tot terugvordering mag nemen, zo lang de procedure voor de belastingrechter, waarin appellant de vaststelling van de hoogte van zijn vermogen bestrijdt, nog niet is afgerond.

   Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 2 juli 2003 in zaak no. 200206406/1, hoeft de Minister de uitkomst van een procedure voor de belastingrechter niet af te wachten. De Afdeling wijst appellant erop dat, net als in de aangehaalde zaak, de Minister ook in deze zaak de toezegging heeft gedaan dat appellant herziening van de beslissing van de Minister kan vragen indien de uitkomst van de procedure voor de belastingrechter daartoe aanleiding geeft.

   Ter zitting is gebleken dat de procedure voor de belastingrechter nog steeds niet is afgerond, nu appellant beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, dat zijn zaak na cassatie van het eerdere arrest van het gerechtshof 's-Gravenhage had behandeld. Derhalve staat nog immer niet vast dat het vermogen van appellant onder de in de Hsw vastgestelde grens blijft.

2.4.    Uit het vorengaande volgt dat de klacht van appellant dat de rechtbank de zaak had moeten aanhouden eveneens faalt en voorts dat er ook voor de Afdeling geen reden is om de zaak aan te houden.

2.5.    Anders dan appellant betoogt, is de uitspraak van de rechtbank niet onbegrijpelijk. Met de passage dat "gesteld noch gebleken is dat het terug te vorderen bedrag door verweerder onjuist is vastgesteld" heeft de rechtbank - gelet op de context - bedoeld dat de Minister de hoogte van het terug te vorderen bedrag heeft vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan het aan appellant uitgekeerde bedrag, van welk bedrag de Minister de hoogte juist heeft vastgesteld.

   Ook de overweging van de rechtbank dat bij een (mogelijk) langdurige procedure aan de Minister de mogelijkheid wordt ontnomen de procedure omtrent herziening en terugvordering af te ronden, is, gelet op de in artikel 36 van de Hsw gestelde termijn waarbinnen een besluit tot herziening en terugvordering van de huursubsidie kan worden genomen, niet onbegrijpelijk en - mede gelet op hetgeen hierboven onder 2.3 is overwogen - niet onjuist.

2.6.    Appellant is voorts opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen plaats is voor een andere vaststelling van het rekenvermogen van appellant voor het subsidiejaar 2001-2002, dan het bepalen van het vermogen per 1 januari 2000.

   De Afdeling is van oordeel dat van discriminatie als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: het IVBPR) geen sprake is als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. Bij de in geding zijnde regelgeving heeft de wetgever slechts beoogd huursubsidie te verstrekken aan hen die deze subsidie, wegens gebrek aan draagkracht, nodig hebben. Er zijn derhalve redelijke en objectieve gronden voor het onderscheid naar draagkracht. Bij de vaststelling van het vermogen is onvermijdelijk dat een bepaald peilmoment wordt genomen; artikel 56a van de Hsw stelt dit peilmoment voor het subsidiejaar 2001-2002 vast op 1 januari 2000, in verband met de invoering van nieuwe belastingwetgeving. Dit is een redelijke en objectieve grond voor het vaststellen van het peilmoment en derhalve is het onderscheid dat daaruit kan voortvloeien, gerechtvaardigd. Van strijd met artikel 26 van het IVBPR is dan ook geen sprake.

   De stelling van appellant dat een ander overgangsrecht had kunnen worden vastgesteld, doet aan het voorgaande niet af. Het is het primaat van de wetgever om overgangsrecht vast te stellen. Nu het gaat om een wet in formele zin die niet in strijd is met enig verdrag, kan de rechter dit overgangsrecht niet verder inhoudelijk toetsen.

   De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog van appellant faalt.

2.7.    Eerst ter zitting heeft appellant als grond aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte ervan heeft afgezien de Minister in de proceskosten te veroordelen.

   De Afdeling is van oordeel dat het aanvoeren van deze beroepsgrond ter zitting weliswaar laat is, maar niet in strijd is met de goede procesorde, nu het een grond van dusdanig eenvoudige aard is, dat niet gezegd kan worden dat de Minister zich hier in redelijkheid niet tegen heeft kunnen verweren.

   De grond treft doel. In geval van vernietiging van het bestreden besluit dient in de regel de rechtbank een kostenveroordeling uit te spreken ten laste van het bestuursorgaan. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten, komt de uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

2.8.    Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank zal gedeeltelijk worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Minister worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.

2.9.    De Minister dient op na te melden wijze in de proceskosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 mei 2005, AWB 03/3588, voor zover daarbij is afgezien van een proceskostenveroordeling;

III.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-Van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. De Leeuw-van Zanten

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

97-514.