Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8631

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200508417/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder locaties aangewezen voor clusterplaatsen en ondergrondse containers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval waaronder een locatie aan de Julianaweg (E17).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2006/30 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

200508417/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder locaties aangewezen voor clusterplaatsen en ondergrondse containers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval waaronder een locatie aan de Julianaweg (E17).

Bij besluit van 9 augustus 2005, verzonden op 15 augustus 2005, heeft verweerder het tegen de aanwijzing van genoemde locatie door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 26 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. B. Hamburger, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.H. Slaaf en G. Willemse, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het beroep richt zich tegen de aanwijzing van de locatie Julianaweg (E17) als clusterplaats voor het aanbieden van minicontainers. Appellante voert aan dat het besluit in strijd is met het door de gemeenteraad gehanteerde uitgangspunt dat, gelet op de verkeersveiligheid, voldoende afstand moet worden gehouden tot bestaande uitritten en uitgangen van bijvoorbeeld poorten en stegen. Zij betoogt dat haar achteruitgang vanwege de minicontainers zal worden geblokkeerd, omdat deze tegen de erfgrens zullen worden geplaatst over de volle lengte van haar achtertuin. Ook stelt appellante vanwege de minicontainers vanuit haar tuin het trottoir niet meer te kunnen bereiken. Verder vreest appellante voor zwerfvuil, ongedierte en voor het langdurig blijven staan van de minicontainers op de clusterplaats.

2.2.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheid gewaarborgd is nu door splitsing van de clusterplaats vrije toegang is tot het toegangspad tot de woning van appellante en de oprit naar haar garage. Er blijft ongeveer 0,45 meter vrij tussen de minicontainers en de erfgrens, welke afstand volgens hem voldoende is om er te kunnen lopen. Blokkering van de achteruitingang is dan ook niet aan de orde, aldus verweerder. Volgens hem is het ook op inzameldagen mogelijk om vanuit de tuin van appellante direct op het trottoir te stappen, zij het dat dit lastig is vanwege de begroeiing van de tuin en het feit dat er aan de zijde van appellante tegen de erfgrens een omheining staat. Verweerder merkt in dit verband nog op dat het desbetreffende trottoir, ook indien er geen minicontainers zijn geplaatst, te smal is voor rolstoelgebruikers en kinderwagens maar dat het trottoir aan de overzijde van de straat wel voldoende breed is.    

   Ten aanzien van de vrees van appellante voor zwerfvuil en ongedierte merkt verweerder op dat met de inzameldienst is afgesproken dat het huisvuil dat bij het op onjuiste wijze ledigen van een minicontainer op straat belandt, door de inzameldienst wordt opgeruimd. Wat het overige mogelijke zwerfvuil en het niet tijdig ophalen van de minicontainers van de clusterplaats betreft stelt verweerder zich op het standpunt dat dit handhavingsaangelegenheden zijn, nu aanbieders van huisvuil op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening gehouden zijn de minicontainers goed te sluiten alvorens deze op de clusterplaats te zetten en tevens gehouden zijn om de minicontainers uiterlijk aan het einde van de vastgestelde inzameldag van de clusterplaats te verwijderen.

    Met betrekking tot de vrees voor ongedierte heeft verweerder gesteld dat hem geen klachten hierover hebben bereikt.

2.3.    Blijkens de stukken hanteert verweerder bij het aanwijzen van een clusterplaats voor minicontainers een viertal uitgangspunten. Zo dienen parkeerplaatsen te worden ontzien en zoveel mogelijk in stand te worden gelaten, moet aantasting van openbaar groen tot een minimum worden beperkt, moet de plaats met de rolcontainer bereikbaar zijn met op- en afritten, en moet voldoende afstand worden gehouden van bestaande uitritten en uitgangen van bijvoorbeeld poorten en stegen waardoor de weggebruiker niet in het zicht wordt belemmerd. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Verder is in artikel 3 van de Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel (hierna: de Regeling) bepaald dat de afstand tussen het perceel waar de huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en de clusterplaats niet meer bedraagt dan 75 meter, behoudens in bijzondere gevallen.

   Het is de Afdeling niet gebleken dat de gekozen locatie niet voldoet aan de door verweerder gehanteerde uitgangspunten en artikel 3 van de Regeling. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat zich aan de overzijde van de straat parkeerplaatsen bevinden, waardoor deze locatie gelet op het genoemd beleid niet geschikt is als clusterplaats. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

2.4.    Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Heijerman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

255.