Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV8622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
200508456/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Harenkarspel, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 26 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200508456/1.

Datum uitspraak: 5 april 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Harenkarspel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Harenkarspel, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 26 augustus 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 3 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 november 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. W. Kattouw, en verweerder, vertegenwoordigd door A.J. Steltenpool en F.G. Allard, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door R.E. Vos, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellant het beroep ingetrokken voor zover het de directe en indirecte geluidhinder als gevolg van de uitbreiding van het aantal vrachtautobewegingen betreft.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Appellant stelt te vrezen voor lichthinder vanwege de twee vergunde, tien meter hoge, lichtmasten die bij de rijbak zullen worden geplaatst.

2.4.1.    Ingevolge voorschrift F.1 mag de verlichting voor de buitenrijbak uitsluitend zijn ingeschakeld in de periode van 1 oktober tot en met 30 april van maandag tot en met vrijdag en tussen 16.00 en 21.00 uur.

   Ingevolge voorschrift F.2 moet de lichtinstallatie zodanig zijn uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen in gevels of daken van woningen van derden wordt voorkomen.

2.4.2.    In het aanvraagformulier is aangegeven dat de buitenbak wordt verlicht door twee kantelbare lichtmasten met een hoogte van 10 meter en een gerichte lichtbundel met een vermogen van 1 kW per stuk. Blijkens de tot de aanvraag behorende tekeningen loopt de buitenbak in de lengte parallel aan de woning van appellant en zijn de lichtmasten gesitueerd binnen de buitenbak ter hoogte van de twee kortere breedtekanten.

2.4.3.    Niet bestreden is dat de afstand van de dichtstbij de woning van appellant gesitueerde lichtmast tot de gevel van deze woning circa 45 meter bedraagt. Gezien deze afstand in combinatie met het gegeven dat de lichtmasten kantelbaar zijn, een gerichte lichtbundel hebben en, zoals ter zitting door verweerder naar voren is gebracht, zijn voorzien van kappen en mede gelet op de vergunningvoorschriften F.1 en F.2, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare lichthinder niet behoeft te worden gevreesd.

2.5.    Appellant voert aan stankhinder te ondervinden ten gevolge van de vergroting van de mestopslag en de mogelijkheid voor derden om mest te brengen bij de inrichting.

2.5.1.    Ingevolge voorschrift J.b.1 moet de opslag van vaste mest buiten de stal geschieden op een mestdichte mestplaat, die is voorzien van een opstaande rand of een gelijkwaardige voorziening; de stapeling van de mest moet zodanig geschieden dat uitzakkend vocht niet van de mestplaat kan vloeien; dit vocht moet door middel van een gesloten, mestdichte riolering worden afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte.

   Ingevolge voorschrift J.b.2 moet de in de stallen aanwezige vaste mest ten minste éénmaal per maand worden verzameld en overgebracht naar een mestplaat als bedoeld in het voorgaande voorschrift, dan wel direct uit de inrichting worden afgevoerd.

   Ingevolge voorschrift J.c.3, voor zover hier van belang, moet vaste mest worden getransporteerd met behulp van daartoe geschikte transportmiddelen die op correcte wijze zijn beladen.

2.5.2.    Bij het bestreden besluit is een vergroting van de mestopslag van 30 m3 naar 50 m3 vergund, hetgeen inclusief een hoeveelheid van maximaal 2 m3 is die wekelijks mag worden geaccepteerd van derden. Niet in geding is dat de afstand van de mestopslag tot de woning van appellant, zijnde de dichtstbijgelegen woning, ongeveer 70 meter bedraagt.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, het vorenstaande overziende, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor onaanvaardbare stankhinder ten gevolge van de mestopslag en het aanvoeren van mest door derden niet behoeft te worden gevreesd.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. De Vink

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 april 2006

154-493.