Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7557

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200503949/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2005, kenmerk Wm/2004-089, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het veranderen van een veehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 24 maart 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 75 met annotatie van J.M. Verschuuren
Milieurecht Totaal 2006/1713
JM 2006/77 met annotatie van Van der Meijden
OGR-Updates.nl 1001126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503949/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Gelderse Milieufederatie", gevestigd te Arnhem, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2005, kenmerk Wm/2004-089, heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het veranderen van een veehouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 24 maart 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 juni 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door [medewerker] van de stichting, bijgestaan door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, en verweerder, vertegenwoordigd door G.H. Landeweerd, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door ing. B.H. Wopereis.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Voor de inrichting van vergunninghouder is bij besluit van 7 november 2000 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor het houden van 192 vleeskalveren en 243 vleesstierkalveren. Bij het bestreden besluit heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het veranderen van het veebestand in 65 vleeskalveren en 624 vleesstierkalveren. Als gevolg van deze verandering neemt de totale ammoniakemissie van de inrichting toe met circa 635 kg per jaar.

2.3.    Appellanten betogen dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Zij voeren aan dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat de bij het bestreden besluit vergunde verandering, in combinatie met de gedeeltelijke intrekking van een krachtens de Hinderwet aan [belanghebbende] verleende oprichtingsvergunning voor een nabijgelegen veehouderij, geen significante negatieve gevolgen kan hebben voor het in de nabijheid van de inrichting gelegen natuurgebied "Veluwe". Volgens appellanten is het hanteren van een saldobenadering bij de toetsing aan de Habitatrichtlijn in het kader van de verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, in beginsel weliswaar juist en ook wenselijk, maar had verweerder in dit verband niet mogen volstaan met een berekening van het saldo van de ammoniakdepositie van beide inrichtingen op de grens van het natuurgebied.

2.4.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bij het bestreden besluit vergunde verandering van het veebestand geen significante gevolgen heeft voor het natuurgebied "Veluwe". Daartoe heeft hij overwogen dat de toename van de ammoniakdepositie op de grens van dit gebied, veroorzaakt door de vergunde verandering, teniet wordt gedaan door de (grotere) afname van de ammoniakdepositie op de grens van het gebied die wordt veroorzaakt door de gedeeltelijke intrekking van de aan [belanghebbende] verleende vergunning. In verband hiermee heeft verweerder ter zitting aangegeven dat hij er vanuit is gegaan dat de bij het bestreden besluit vergunde verandering van het veebestand en de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van [belanghebbende] tezamen één plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn betreffen. Verweerder heeft een saldobenadering gehanteerd, zoals die bekend was onder de werking van de Interimwet ammoniak en veehouderij.

2.5.    Bij beschikking van 7 december 2004 van Commissie van de Europese Gemeenschappen (Pb L 387) is het natuurgebied "Veluwe" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang, waarop gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn, de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een speciale beschermingszone, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde nationale instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

2.6.    Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, gepubliceerd in AB 2004, 365, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken.

   Blijkens het arrest dient te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het vergunde plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor het natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan.

2.7.    Uit voorschrift 3, dat is verbonden aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning, volgt dat de verandering van het veebestand pas mag worden doorgevoerd nadat positief en onherroepelijk is beslist op het verzoek van [belanghebbende] om gedeeltelijke intrekking van de op 1 september 1987 krachtens de Hinderwet aan hem verleende oprichtingsvergunning voor een veehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Voorts volgt uit de tekst van voornoemd verzoek dat uitsluitend ten behoeve van verlening van de door [vergunninghouder] gevraagde veranderingsvergunning wordt verzocht om deze gedeeltelijke intrekking.

   Daargelaten de vraag of de bij het bestreden besluit vergunde verandering van het veebestand en de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van [belanghebbende], als twee afzonderlijke plannen of projecten dienen te worden aangemerkt dan wel als één plan of project, overweegt de Afdeling het volgende. De enkele omstandigheid dat de bij het bestreden besluit vergunde verandering en de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van [belanghebbende], in onderlinge samenhang bezien, leiden tot een afname van de ammoniakdepositie, berekend op de grens van het natuurgebied, van 62,7 mol per hectare per jaar, brengt naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet met zich dat kan worden uitgesloten dat er significante negatieve gevolgen zijn voor het natuurgebied zelf, afgezet tegen de voor het gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het in dit geval niet uitgesloten is dat, zoals appellanten ter zitting onder verwijzing naar een daar overgelegde indicatieve berekening hebben gesteld, sprake kan zijn van een aanzienlijke toename van de ammoniakdepositie, berekend op een plaats in het natuurgebied op enige afstand van de grens. Verweerder heeft niet onderzocht wat enerzijds de gevolgen zijn van de toename van de ammoniakdepositie afkomstig van de bij het bestreden besluit vergunde inrichting voor de in het natuurgebied aanwezige habitattypen, afgezet tegen de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen, en wat anderzijds de gevolgen daarvoor zijn van de afname van de ammoniakdepositie afkomstig van de inrichting van [belanghebbende]. In zoverre heeft verweerder derhalve niet kunnen uitsluiten dat sprake is van significante negatieve gevolgen voor het natuurgebied "Veluwe".

   Het bestreden besluit is, gezien het vorenstaande, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevant feiten, en kan voorts, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.8.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient geheel te worden vernietigd.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 15 maart 2005, kenmerk Wm/2004-089;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 362,03 (zegge: driehonderdtweeënzestig euro en drie cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Ede aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Ede aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

154-431.