Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7550

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200506819/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft appellante geweigerd [wederpartij] een verklaring van geschiktheid af te geven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506819/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1460 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 28 juni 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellante.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft appellante geweigerd [wederpartij] een verklaring van geschiktheid af te geven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B.

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft appellante het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2005, verzonden op 30 juni 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en appellante opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift, met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 september 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft appellante opnieuw op het bezwaar beslist, het besluit van 17 januari 2005 herroepen en medegedeeld dat [wederpartij] nader bericht ontvangt over een door een deskundige te verrichten onderzoek naar de praktische rijgeschiktheid.

Op dit besluit heeft [wederpartij] bij brief van 7 november 2005 een reactie gegeven. Deze reactie is in kopie aan appellante gezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.M.W. Jol-de Vries, medewerker juridische zaken bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. A. van der Leest, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) wordt een rijbewijs op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid.

   Ingevolge artikel 111, vierde lid, van de Wvw 1994 worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b.

   Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief verklaringen van geschiktheid door het CBR afgegeven aan een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

   Ingevolge artikel 103, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen geeft het CBR, indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid af.

   Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

   Sedert 14 maart 2004 luidt, voor zover thans van belang, deze bijlage als volgt:

"[…]

Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen

10.1. Inleiding

Voor de beoordeling van de geschiktheid is het ook van belang te weten in hoeverre degene die een rijbewijs aanvraagt gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden. Uit verschillende onderzoeken en publicaties komt naar voren dat bepaalde geneesmiddelen een nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid. Dit geldt met name voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel.

[…]

10.2.2. Psychostimulantia

Gebruik van deze middelen maakt iemand ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.

   Een uitzondering is mogelijk voor zover psychostimulantia gebruikt worden voor de behandeling van ADHD bij volwassenen.

   Is dit het geval, dan dient het onderzoek naar de geschiktheid plaats te vinden door een specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren

[…]"

2.2.    Appellante komt - kort samengevat - op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat zij de toepasselijke bepalingen van de bijlage bij de Regeling onjuist heeft uitgelegd door niet een op de specifieke omstandigheden van dit geval toegespitste beoordeling van de situatie van [wederpartij] en een daaruit voortvloeiende onderbouwing van de afwijking van het - op verzoek van appellante uitgebrachte - advies van de keurend arts te hebben gegeven.

2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 maart 2006 in zaak no. 200507887/1 is de tekst van hoofdstuk 10 van de bijlage bij de Regeling gewijzigd, zodat de vóór die wijziging omtrent dit hoofdstuk gevormde jurisprudentie niet zonder meer richtinggevend is.

2.3.1.    In de inleidende paragraaf 10.1 van het hoofdstuk is een onderscheid gemaakt tussen geneesmiddelen die de rijvaardigheid nadelig kunnen beïnvloeden, maar waarbij de mate waarin deze beïnvloeding plaatsvindt afhankelijk is van individuele omstandigheden, zoals, naar uit het vervolg van hoofdstuk 10 blijkt, de dosering, de fysieke gesteldheid van de betrokkene en de mate waarin de betrokkene is ingesteld op de geneesmiddelen, en geneesmiddelen die als regel een nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid, los van individuele omstandigheden zoals hiervoor genoemd. Tot die laatste soort behoren, naar uit deze inleidende paragraaf reeds blijkt, geneesmiddelen die een stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel.

   Dit onderscheid is per geneesmiddel nader uitgewerkt in de paragrafen 10.2 tot en met 10.12 van hoofdstuk 10 van de bijlage. Daarbij is voor de geneesmiddelen, die vallen onder de eerstvermelde categorie, waartoe bijvoorbeeld antidepressiva en neuroleptica behoren, voorzien in ruimte om rekening te houden met individuele omstandigheden als hiervoor vermeld. Met betrekking tot geneesmiddelen van de tweede categorie is in algemene zin bepaald dat deze iemand ongeschikt maken, los van de omstandigheden van het geval, met dien verstande dat daarop een categoriale uitzondering kan zijn gemaakt.

2.3.2.    Psychostimulantia zijn middelen die een stimulerende of dempende werking hebben op het centrale zenuwstelsel en vallen daarmee onder de categorie geneesmiddelen die volgens paragraaf 10.1 de rijvaardigheid als regel nadelig beïnvloeden. Er is derhalve in beginsel geen ruimte voor een individuele toets, wanneer blijkt dat de betrokkene psychostimulantia gebruikt. Op de regel van paragraaf 10.2.2 is uitsluitend een uitzondering gemaakt voor de categorie gevallen waarin de psychostimulantia worden gebruikt voor de behandeling van ADHD bij volwassenen.

   De Afdeling overweegt voorts dat uit de toelichting op de wijziging van de Regeling (Staatscourant 2004, nr. 50, p. 15), waarbij een uitzondering voor de behandeling van ADHD is opgenomen in paragraaf 10.2.2, blijkt dat met paragraaf 10.2.2 ook voor die wijziging was beoogd een absoluut verbod te stellen op deelname aan het gemotoriseerd verkeer bij gebruik van psychostimulantia en dat de opgenomen uitzondering alleen geldt voor volwassenen die aan ADHD lijden. Uitsluitend in die gevallen kan, indien een nader, individueel onderzoek daartoe aanleiding geeft, alsnog een verklaring van geschiktheid worden afgegeven. Voor andere gevallen is voormeld verbod onverkort van kracht gebleven.

2.4.    Niet in geschil is dat het geneesmiddel Modiodal een psychostimulantium is. Tevens staat vast dat [wederpartij] dit geneesmiddel gebruikt en niet voor de behandeling van ADHD, maar voor de behandeling van narcolepsie. Uitgaande van deze feiten, was de beslissing van appellante om de afgifte van een verklaring van geschiktheid te weigeren juist. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6.    Gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, moet het hoger beroep worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 25 oktober 2005.

   Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat appellante niet ten tweede male op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar behoefde te beslissen. Dit betekent dat het besluit van 25 oktober 2005 moet worden vernietigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 28 juni 2005, 05/1460;

III.    verklaart het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep ongegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 25 oktober 2005.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Van Hulst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

402.