Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7548

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200508776/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft de burgemeester van Sittard-Geleen (hierna: de burgemeester) - voor zover thans van belang - het op 24 juni 2004 aan appellant afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 415
JB 2006/146 met annotatie van M.O.V.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200508776/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/793 van de rechtbank Maastricht van 8 september 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Sittard-Geleen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft de burgemeester van Sittard-Geleen (hierna: de burgemeester) - voor zover thans van belang - het op 24 juni 2004 aan appellant afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard.

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 november 2005 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. C.H.J. van Heugten, advocaat te Sittard, is verschenen. De burgemeester is, met bericht, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

   Ingevolge het tweede lid geschiedt de bekendmaking, indien zij niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, op een andere geschikte wijze.

   Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

   Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

   Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba) is de ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven, verplicht bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van inschrijving binnen vijf dagen voor zijn vertrek uit Nederland schriftelijk aangifte van vertrek te doen.

2.2.    De Afdeling gaat uit van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden. Uit een door de bevolkingscontroleur ingesteld onderzoek van 2 augustus 2004 is het de burgemeester gebleken dat appellant niet woonde op het door hem opgegeven adres [locatie] te Sittard (hierna: het adres te Sittard). Het tot ongeldig verklaring van het rijbewijs strekkende besluit van 19 augustus 2004, dat is verzonden naar het adres te Sittard, is retour gekomen. Bij brief van 23 augustus 2004, die eveneens is verzonden naar het adres te Sittard, heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) aan appellant het voornemen bekend gemaakt om hem in de gemeentelijke basisadministratie te registreren als zijnde vertrokken naar "land onbekend". Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college appellant met terugwerkende kracht tot 23 augustus 2004 uit de gemeentelijke basisadministratie uitgeschreven als zijnde vertrokken naar "land onbekend".

2.3.    Uit de stukken blijkt niet op welke datum het besluit van 19 augustus 2004 is verzonden. Wel staat vast dat dit besluit op 25 augustus 2004 door TPG Post is aangeboden op het adres te Sittard, zodat de Afdeling het er voor houdt dat het op 24 augustus 2004 naar dat adres is verzonden.

2.4.     Appellant voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester het besluit niet door toezending naar het adres te Sittard bekend heeft mogen maken, aangezien de burgemeester wist dat appellant niet op dat adres woonachtig was, appellant per 23 augustus 2004 uit de gemeentelijke basisadministratie is uitgeschreven en de burgemeester in staat was om het adres van appellant in Duitsland te achterhalen. Door de handelwijze van de burgemeester is appellant - naar zijn stellen - ten onrechte een normale bezwaartermijn onthouden.

   Voorts voert hij aan dat de rechtbank eveneens heeft miskend dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij binnen zeer korte termijn nadat hij op 5 of 6 oktober 2004 door de Duitse gemeente Hagen in kennis is gesteld van het besluit van 19 augustus 2004, daartegen bezwaar heeft gemaakt.

2.5.    Anders dan appellant meent, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit van 19 augustus 2004 door toezending naar het laatst bekende adres van appellant op een andere geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:41, tweede lid, van de Awb bekend is gemaakt. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat appellant aan de burgemeester en de gemeentelijke basisadministratie niet zijn daadwerkelijke woonadres heeft opgegeven, maar een adres waar hij blijkens de dossierstukken nimmer woonachtig is geweest, en dat appellant niet bij het college van burgemeester en wethouders schriftelijk heeft aangegeven dat hij voornemens was in het buitenland te verblijven, hoewel hij daartoe ingevolge artikel 68 van de Wet gba verplicht is. Appellant diende te begrijpen dat de burgemeester bij ontbreken van een ander adres van het laatst bekende adres van appellant gebruik zou maken. Dat de inschrijving van appellant op het adres te Sittard bij besluit van 28 september 2004 ongedaan is gemaakt, doet aan het vorenstaande niet af.

   Nu het er voor wordt gehouden dat het besluit van 19 augustus 2004 op 24 augustus 2004 is verzonden, is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift gelet op het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, in samenhang met artikel 6:7 van de Awb, begonnen op 25 augustus 2004 en geëindigd op 5 oktober 2004. Het bezwaarschrift van 11 oktober 2004 is op dezelfde dag ontvangen en is derhalve niet binnen de termijn ingediend.

2.6.     De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat appellant kort nadat hij door de Duitse gemeente Hagen in kennis is gesteld van het besluit van de burgemeester tot ongeldigverklaring van het in Nederland behaalde rijbewijs tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt, maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Nu appellant diende te begrijpen dat de burgemeester bij ontbreken van een ander adres van het adres te Sittard gebruik zou maken en appellant niet zodanige maatregelen heeft getroffen dat hij vanaf het door hem opgegeven adres tijdig zou worden geïnformeerd inzake het naar dat adres verzonden besluit van 19 augustus 2004, noch de burgemeester heeft geïnformeerd over zijn feitelijke woonadres in Duitsland, wordt appellant niet gevolgd in zijn stellingname dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

45-450.