Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7542

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200504378/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2004 heeft de burgemeester van Zaanstad (hierna: de burgemeester) besloten de horeca-inrichting "Cafe Underground" aan de Zuiddijk 41a te Zaandam (hierna: de inrichting) met ingang van 16 februari 2004 tijdelijk te sluiten voor een periode van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504378/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 04 - 1575 van de rechtbank Haarlem van 3 mei 2005 in het geding tussen:

[appellant A]

en

de burgemeester van Zaanstad.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2004 heeft de burgemeester van Zaanstad (hierna: de burgemeester) besloten de horeca-inrichting "Cafe Underground" aan de Zuiddijk 41a te Zaandam (hierna: de inrichting) met ingang van 16 februari 2004 tijdelijk te sluiten voor een periode van 1 jaar.

Bij besluit van 2 juli 2004 heeft de burgemeester het daartegen door [appellant A] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2005, verzonden op 4 mei 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 13 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 25 juli 2005 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Bij brief van 11 december 2005 hebben appellanten de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2006, waar appellanten in persoon en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.D.G. Guimaraes, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ten aanzien van het hoger beroep van [appellant B] en [appellant C] wordt als volgt overwogen.

2.1.1.    [appellant B] en [appellant C] hebben geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 februari 2004. Er bestaat geen grond te oordelen dat hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. [appellant B] en [appellant C] kunnen daarom, gelet op artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep instellen. Dat zij, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 2 juli 2004, maakt dit niet anders.

2.2.    Het hoger beroep van [appellant B] en [appellant C] is niet-ontvankelijk.

2.3.    Ten aanzien van het hoger beroep van [appellant A] wordt als volgt overwogen.

2.3.1.    Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, voor zover thans van belang, is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

   Blijkens de nota "Coffeeshopbeleid gemeente Zaanstad" (hierna: de nota) voert de burgemeester het beleid dat coffeeshops waarin de verkoop van softdrugs onder voorwaarden wordt gedoogd, gedurende 6 tot 24 maanden worden gesloten bij het in bezit hebben van of handel in harddrugs.

2.3.2.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de inrichting gedurende een onevenredig lange periode is gesloten. In dit verband voert hij aan dat hij in geen enkele relatie staat tot [partij], die het leeuwendeel van de door de politie in de inrichting aangetroffen verdovende middelen bij zich had. Voorts voert hij aan dat in de inrichting geen verdovende middelen worden verkocht, dat [partij] niet in de inrichting als barmedewerker werkzaam is en dat hij bezwaarlijk zijn bezoekers kan fouilleren. Ten slotte heeft hij ter zitting van de Afdeling aangevoerd dat door de burgemeester niet of nauwelijks wordt opgetreden tegen de aanwezigheid van verdovende middelen in andere kroegen en discotheken.

2.3.3.    Gelet op de vondst van harddrugs in de inrichting, te weten 36 wikkels cocaïne en 32 XTC-pillen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd was tot sluiting van de inrichting.

   Gelet op de aanwezigheid van voornoemde harddrugs in de inrichting, alsmede op de omstandigheid dat de burgemeester aannemelijk heeft gemaakt dat in de inrichting reeds geruime tijd handel in harddrugs heeft plaatsgevonden en dat een medewerker van de inrichting daarbij was betrokken, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de burgemeester zich, mede gezien de nota die ten aanzien van horeca-inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs niet wordt gedoogd, analoog wordt toegepast, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van de inrichting gedurende een jaar noodzakelijk is om de gewoonte te doorbreken van bepaalde klanten om de inrichting ten behoeve van drugsbevoorrading te bezoeken.

   Noch het feit dat [appellant A], die vergunninghouder, exploitant en leidinggevende is in de inrichting, niet zelf betrokken zou zijn geweest bij de harddrugs, noch de door [appellant A] genoemde bezwaren tegen het fouilleren van bezoekers, maken het vorenstaande anders. Ten aanzien van die aspecten heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat de persoonlijke verwijtbaarheid van [appellant A] geen rol speelt bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt.

   Aangezien door [appellant A] - bij gebreke aan enige concretisering van zijn stelling dienaangaande - niet aannemelijk is gemaakt dat de burgemeester niet of in mindere mate handhavend optreedt tegen de aanwezigheid van verdovende middelen in andere horeca-inrichtingen dan de onderhavige, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

   Met de rechtbank wordt dan ook geconcludeerd dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de burgemeester van de sluiting diende af te zien.

2.4.    Het hoger beroep van [appellant A] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de hoger beroepen van [appellant B] en [appellant C] niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

45-450.