Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7541

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200506728/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (Noord-Holland) het wijzigingsplan "Weidegebied: Wijzigingsplan Parallelweg Bergen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506728/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (Noord-Holland) het wijzigingsplan "Weidegebied: Wijzigingsplan Parallelweg Bergen" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 juni 2005, kenmerk 2005-14170, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 27 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Minister van Verkeer en Waterstaat heeft te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan het geding. Hij is daartoe op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts zijn als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Bergen, vertegenwoordigd door mr. C. Suurd, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door J.M. van Es, ambtenaar bij het ministerie. Appellant is, zonder kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in de mogelijkheid tot aanleg van een parallelweg langs Rijksweg N9 tussen de Kogendijk en de Teugelaan.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.4.1.    Hij voert aan dat zijn belangen onvoldoende zijn bezien. Bij aanleg van de parallelweg zal zijn woning moeten worden gesloopt. Appellant is van mening dat eerst een goede oplossing moet worden gevonden voor zijn situatie alvorens tot vaststelling en goedkeuring van het wijzigingsplan over te gaan.

Het bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met de wijzigingsregels van het op 28 juni 1994 vastgestelde bestemmingsplan "Weidegebied" (hierna: het bestemmingsplan) dan wel anderszins in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht. Hij heeft goedkeuring verleend aan het plan.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Ingevolge artikel 22, aanhef en onder 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan met toepassing van artikel 11 van de WRO te wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op de reconstructie van Rijksweg N9 met dien verstande dat a. deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend betrekking heeft op het als zodanig begrensde op de kaart met het cijfer I aangegeven gedeelte, b. terzake van de reconstructie een parallelweg geprojecteerd zal worden mede ter ontsluiting van de aldaar gelegen woningen en agrarische bedrijven, en c. geen bebouwing tussen de onder b. bedoelde parallelweg en de N9 gelegen mag zijn.

2.6.2.    Aan het plangebied is de bestemming "Verkeersdoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 2 van de voorschriften van het wijzigingsplan zijn de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan onverminderd van toepassing op het wijzigingsplan met dien verstande dat indien in het bestemmingsplan wordt verwezen naar de plankaart, de bij het wijzigingsplan behorende plankaart wordt bedoeld. Ingevolge artikel 16, lid A, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de voor "Verkeersdoeleinden" aangewezen gronden - met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 - bestemd voor verkeersruimte alsmede voor kabels en leidingen voor nutsdoeleinden met de daarbij behorende verhardingen, bermen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ingevolge de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 3, onder F, sub b, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt er met betrekking tot de verbetering van en ombouw tot Rijksweg A9 in het plan van uitgegaan dat binnen de planperiode (tien jaar na vaststelling) reconstructie plaats zal vinden, tot welk doel in de voorschriften een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders wordt opgenomen.

2.6.3.    In de toelichting bij het wijzigingsplan is onder meer het volgende vermeld.

   Rijksweg N9 bestaat uit twee rijstroken met een vrijliggend fietspad. Vooral in het zomerseizoen is het verkeersaanbod zeer hoog omdat deze weg, behalve de hoofdontsluiting voor Den Helder, ook het omvangrijke recreatieverkeer van het noordelijke deel van de provincie en voor Texel moet verwerken. De aanwezigheid van langzaam en snelverkeer op dit deel van de N9 levert regelmatig gevaarlijke situaties op. Tevens komt de vlotte doorstroming van het verkeer in het gedrang door de aanwezigheid van langzaam verkeer en de invoegbewegingen op de N9. Om deze situatie te verbeteren voorziet het plan in een parallelweg voor langzaam verkeer en de ontsluiting van bebouwing en percelen aangelegd langs dit deel van de N9. In verband met de aanleg moeten enkele woningen worden gesloopt. Betrokkenen zijn dan wel worden door Rijkswaterstaat benaderd en volgens de gebruikelijke regels schadeloos gesteld.

2.6.4.    In het streekplan Noord-Holland Noord is de N9 als bestaand wegtracé opgenomen. In het streekplan is vastgelegd dat de N9 een 'flinke opknapbeurt' zal krijgen en dat er in dit kader onder meer een parallelweg bij Bergen zal komen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.5.    Dat met de aanleg van de parallelweg een groot algemeen belang is gemoeid, is tussen partijen onbestreden. Tegenover dit algemene belang staat het individuele belang van appellant. Niet valt in te zien dat verweerder de gevolgen van de planontwikkeling, in het geval van appellant met name de amovering van zijn woning, in het kader van de belangenafweging onvoldoende in ogenschouw heeft genomen. Genoegzaam is gebleken dat pogingen in het werk zijn en worden gesteld om te komen tot minnelijke aankoop en herbouw elders van de woning van appellant. Mocht minnelijke aankoop niet mogelijk blijken, dan zal worden overgegaan tot onteigening. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat niet eerder tot vaststelling en goedkeuring van het wijzigingsplan had mogen worden overgegaan dan nadat met appellant tot definitieve overeenstemming zou zijn gekomen. De vraag naar de plaats van mogelijke herbouw dient in het kader van de daartoe geëigende procedure te worden bezien. In dit verband is overigens ter zitting van de zijde van het college van burgemeester en wethouders meegedeeld dat inmiddels een verzoek om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO voor herbouw van de woning van appellant is ingediend en dat dit verzoek ter inzage ligt.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het bij de aanleg van de parallelweg betrokken algemene belang dan aan het individuele belang van appellant.

2.6.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Bechinka

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

371.