Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200506518/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2004 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een aanlegvergunning verleend voor de reeds aangelegde weg en het verharde terrein op het perceel gelegen tussen [locaties 1 en 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Albrandswaard, sectie […], nummers […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506518/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WW44 05/389 van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2004 heeft appellant (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een aanlegvergunning verleend voor de reeds aangelegde weg en het verharde terrein op het perceel gelegen tussen [locaties 1 en 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Albrandswaard, sectie […], nummers […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 december 2004, verzonden op 27 december 2004, heeft het college het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2005, verzonden op 12 juli 2005, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 19 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 december 2005 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Bij brief van 14 februari 2006 heeft de rechtbank dit beroepschrift ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2006, waar het college, vertegenwoordigd door S. Zantman en J. van den Berg, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. drs. T.L. Fernig.

2.    Overwegingen

2.1.    Ten aanzien van het hoger beroep van het college, overweegt de Afdeling als volgt.

2.2.    De betrokken weg is aangelegd ten behoeve van de ontsluiting van het bedrijf van [vergunninghouder], gelegen aan [locatie 1]. De woning van [wederpartij] is gelegen aan [locatie 2], direct naast het begin van de betrokken weg.

2.3.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

2.4.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied Poortugaal" rust op het betrokken perceel de bestemming "Agrarisch gebied alsmede gebied met landschappelijke waarde" met als nadere aanduiding "Watertransportleiding".

   De aanlegvergunning is verleend krachtens artikel 5, lid D I, aanhef en onder b, van de voorschriften, behorende bij het bestemmingsplan. Ingevolge artikel 5, lid D I is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college buiten de op de kaart aangegeven bebouwingsvlakken  - voor zover thans van belang - de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

b. het aanleggen van wegen of verharden van wegen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 per perceel.

i. het aanleggen van paardenbakken/longeerruimten.

   Ingevolge artikel 5, lid D III, is een vergunning als bedoeld in lid D I slechts toelaatbaar indien door die andere werken en/of werkzaamheden de landschappelijke waarden van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, versterking en/of herstel van die waarden niet worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarische belang, tot uitkomst heeft, dat een aanlegvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

   Een vergunning als bedoeld in lid D I, onder i, is verder slechts toelaatbaar, indien deze wordt gesitueerd direct grenzend aan het agrarisch bedrijfscentrum en/of na wijziging bij de woning, en de oppervlakte niet meer dan 1.000 m2 bedraagt.

2.5.    Het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat de tweede alinea van artikel 5, lid D III van de planvoorschriften in onderhavig geval toepassing mist en dat de gevraagde aanlegvergunning niet reeds om deze reden dient te worden geweigerd, slaagt. De tweede alinea van artikel 5, lid D III is slechts van toepassing in het geval een aanlegvergunning wordt gevraagd voor het aanleggen van paardenbakken en/of longeerruimten. Daarvan is in dit geval geen sprake.

2.6.    Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 8 december 2004 behandelen.

2.7.    [wederpartij] heeft betoogd dat het college de aanlegvergunning na afweging van de betrokken belangen niet had kunnen verlenen, nu niet staande kan worden gehouden dat de landschappelijke waarde van de locatie niet in onevenredige mate wordt aangetast. Hij stelt (geluid)overlast te ondervinden van het verkeer van en naar het bedrijf van [vergunninghouder]. Hij heeft aangevoerd dat voor het eerst in 1998 een pad op het perceel aanwezig was dat slechts werd gebruikt door een enkele tractor. Bovendien is het zijns inziens mogelijk om het bedrijf van [vergunninghouder] te ontsluiten via [locatie 1].

2.7.1.    Met artikel 5, lid D III wordt beoogd landschappelijke waarden te beschermen. Verder dienen blijkens dit artikellid de in geding zijnde belangen, waaronder het agrarisch belang, te worden afgewogen. De Afdeling stelt vast dat het college de landschappelijke waarde in zijn besluitvorming heeft betrokken alsmede de in geding zijnde belangen heeft afgewogen. Gelet hierop en op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht heeft het college in redelijkheid na afweging van deze belangen de aanlegwerkzaamheden toelaatbaar kunnen achten. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat aan [locatie 1] geen adequate parkeermogelijkheden aanwezig zijn.

   In hetgeen [wederpartij] overigens heeft aangevoerd met betrekking tot de door hem ervaren (geluid)overlast heeft het college, gelet op het toepasselijke wettelijk kader, terecht geen aanleiding gezien om de aanlegvergunning te weigeren.

2.8.    Het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 8 december 2004 dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

   Naar aanleiding van het door het college gedane verzoek om de door de rechtbank ten laste van het college uitgesproken proceskostenveroordeling te vernietigen, overweegt de Afdeling dat de vernietiging van de aangevallen uitspraak zich daarover mede uitstrekt.

2.9.    Ten aanzien van het beroep van [wederpartij] van 7 december 2005, overweegt de Afdeling het volgende.

   Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 17 juli 2002 in zaak no. 200102356/1 (AB 2003, 43) verstaat de Afdeling onder een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb mede het niet tijdig nemen van een nieuw besluit na vernietiging door de rechter in eerste aanleg van de oorspronkelijke beslissing op bezwaar.

   Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van die wet wordt het beroep van 7 december 2005 in dit geding beoordeeld.

2.10.    Het college kan, nu de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 8 december 2004 ongegrond heeft verklaard, niet meer op het door [wederpartij] ingediende bezwaarschrift beslissen. Dit betekent dat geen sprake is van het ten onrechte uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar. Het beroep hieromtrent is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2005, WW44 05/389;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 8 december 2004 ongegrond;

IV.    verklaart het beroep van [wederpartij] van 7 december 2005 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Van Driel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

218-414.