Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200509026/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 juni 2005 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een beslissing op hun verzoek, gedaan bij brief van 31 maart 2005 en herhaald bij brief van 12 mei 2005, tot wijziging van het landinrichtingsplan voor de herinrichting IJsselmonde (hierna: het landinrichtingsplan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200509026/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij brief van 14 juni 2005 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een beslissing op hun verzoek, gedaan bij brief van 31 maart 2005 en herhaald bij brief van 12 mei 2005, tot wijziging van het landinrichtingsplan voor de herinrichting IJsselmonde (hierna: het landinrichtingsplan).

Bij brief van 23 juni 2005 heeft verweerder meegedeeld het verzoek van 12 mei 2005 voor advies te hebben toegezonden aan de landinrichtingscommissie voor de herinrichting IJsselmonde (hierna: de landinrichtingscommissie).

Tegen deze mededeling hebben appellanten bij brief van 4 augustus 2005, bij de rechtbank Den Haag ingekomen op 8 augustus 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2005.

Bij brief van 20 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank Den Haag heeft de stukken doorgezonden aan de Raad van State.

De landinrichtingscommissie is als partij bij het geding aangemerkt.

Bij brief van 6 februari 2006 heeft de landinrichtingscommissie nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. van der Gouw, advocaat te Den Haag, en mr. E. Arbman, ambtenaar van de provincie, is verschenen.

Voorts is als partij gehoord de landinrichtingscommissie, vertegenwoordigd door mr. C.T. Ploeger, ir. A.W. Sleeking en P. Muns.

Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren achterwege heeft gelaten. Zij voeren aan dat de brief van verweerder van 23 juni 2005 moet worden aangemerkt als een schriftelijke weigering om te beslissen op bezwaar als bedoeld in artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 23 juni 2005 slechts kan worden aangemerkt als een mededeling dat het verzoek tot wijziging van het landinrichtingsplan zal worden doorgeleid naar de landinrichtingscommissie. Volgens hem bevat de brief van 23 juni 2005 daarom geen beslissing op bezwaar.

2.3.    Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen eerst tegen dat besluit bezwaar te maken.

2.4.    De Afdeling overweegt dat de mededeling van toezending van een aanvraag aan een ander bestuursorgaan ter advisering geen publiekrechtelijke rechtshandeling vormt en derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht behelst. De mededeling van toezending kan evenmin worden aangemerkt als een op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering een besluit te nemen.

2.5.    De Afdeling is onbevoegd om van dit beroep kennis te nemen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Bultema, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra    w.g. Bultema

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

400.