Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7522

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200507866/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de gemeenteraad van Rucphen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 maart 2005, het bestemmingsplan "Rijksweg Zuid 35-37" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507866/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2005 heeft de gemeenteraad van Rucphen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 maart 2005, het bestemmingsplan "Rijksweg Zuid 35-37" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 juli 2005, no. 1095880, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 13 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 oktober 2005.

Bij brief van 28 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2006, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. H.C.S. van Dop, juridisch adviseur te Leusden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van de Laar, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord de gemeenteraad van Rucphen, vertegenwoordigd door A.A.M. Dirks, ambtenaar der gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

         De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan is opgesteld om de bestemming van de gronden aan de Rijksweg Zuid 35-37 in overeenstemming te brengen met het feitelijk gebruik van de gronden. Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998".

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder acht het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan in het geheel goedkeuring onthouden.

Het bestemmen van de bedrijfswoning aan de [locatie 1] tot burgerwoning, schept de mogelijkheid tot het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [locatie 2]. Verweerder meent dat daarmee sprake is van toevoeging van een woning aan het buitengebied en acht het plan daarom in strijd met het in het geldende streekplan neergelegde beleid.

Binnen zijn beleid ten aanzien van voormalige agrarische bedrijfslocaties komt de bedrijfswoning aan de [locatie 1] niet in aanmerking voor kwalificatie als burgerwoning, omdat ten aanzien van het agrarisch bouwblok geen sprake is van beëindiging van de agrarische activiteiten en sloop van de aanwezige bedrijfsgebouwen.

Het standpunt van appellant

2.5.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Hij voert daartoe aan dat het bestaande woongebouw aan de [locatie 2] als bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en wijst op de voorgeschiedenis en de feitelijke situatie van de gronden. Verweerder heeft deze omstandigheden ten onrechte niet bij zijn afweging betrokken. Tevens heeft verweerder naar de stelling van appellant in overeenkomstige situaties wel ingestemd met het oprichten van een tweede bedrijfswoning, waarin het plan volgens verweerder voorziet.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het geldende streekplan "Brabant in Balans" is onder meer gericht op het weren van burgerwoningen in het buitengebied. Nieuwbouw van bedrijfswoningen is slechts toegestaan voor aan het buitengebied gebonden bedrijven, als dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

Voorts is in het streekplan het beleid opgenomen ten aanzien van voormalige agrarische bedrijfslocaties. Volgens dit beleid is hergebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen als burgerwoning aanvaardbaar, indien overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen zoveel als mogelijk gesloopt worden.

2.6.2.    Aan een gedeelte van de gronden aan de Rijksweg Zuid 35 is de bestemming "Woondoeleinden -W-" toegekend. Ingevolge artikel 21, eerste en tweede lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1998", die ingevolge het besluit van de gemeenteraad van 7 april 2005 van toepassing zijn verklaard op het plan (hierna: de planvoorschriften), voor zover hier van belang, in samenhang met de op de plankaart weergegeven aanduiding, zijn deze gronden bestemd voor wonen en is toegelaten een vrijstaande woning met een inhoud kleiner dan 500 m³ en een goothoogte van maximaal vier meter.

2.6.3.    Aan de bebouwde gronden aan de Rijksweg Zuid 37 is de medebestemming "Agrarisch Hoofdberoepbedrijf -A-H-" toegekend. Ingevolge artikel 19, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch hoofdberoepbedrijf en zijn op deze gronden toegelaten, voor zover hier van belang, bedrijfsgebouwen en één bedrijfswoning met daarbij behorende bijgebouwen, behoudens de percelen, waarop blijkens een aanduiding op de kaart geen bedrijfswoning is, dan wel twee bedrijfswoningen zijn toegestaan. Een dergelijke aanduiding is niet op de plankaart aangebracht.

2.6.4.    In het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" was aan de gronden aan de [locaties] tezamen de medebestemming "Agrarisch bouwblok -A-" toegekend, met een verwijzing naar het bovengenoemde artikel 19 van de planvoorschriften, en de aanduiding 'Agrarisch Hoofdberoepbedrijf -A-H-'.

2.6.5.     Op 23 april 1971 is bouwvergunning verleend voor de bouw van een bungalow aan de [locatie 1]. Deze woning is als bedrijfswoning opgericht, maar wordt thans als burgerwoning gebruikt door de weduwe van de voormalig eigenaar van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 2].

Hier bevinden zich agrarische bedrijfsgebouwen waaronder een gebouw dat vóór het oprichten van de bungalow aan de [locatie 1] als bedrijfswoning in gebruik is geweest. Op 13 april 1973 is bouwvergunning verleend voor het wijzigen van dit gebouw ten behoeve van bedrijfsruimte. In de aanvraag daartoe staat vermeld dat de nieuw te bouwen woning de bestaande woning zal vervangen en de bestaande woning een bestemming als bedrijfsruimte zal krijgen. In 1990 is het bedrijf verkocht zonder de bedrijfswoning aan de [locatie 1], maar met de -toen reeds- voormalige bedrijfswoning aan de [locatie 2]. Het gemeentebestuur van de voormalige gemeente Hoeven heeft in 1990 met succes handhavend opgetreden tegen het geschikt maken voor bewoning van deze voormalige bedrijfswoning.

2.6.6.    De gemeenteraad van Rucphen heeft ter zitting zijn beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bedrijfswoningen toegelicht. Daarbij is verklaard dat een voormalige bedrijfswoning die als burgerwoning wordt gebruikt van gemeentezijde aangemerkt blijft als bedrijfswoning binnen het agrarische bouwblok, ook in het geval de gronden en opstallen ten behoeve van de bedrijfsvoering inmiddels civielrechtelijk aan een ander toebehoren.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.     Tussen partijen is niet in geding dat de opstal aan de [locatie 2] die oorspronkelijk als bedrijfswoning in gebruik is geweest, uit een planologisch oogpunt niet als woning kan worden aangemerkt. Daarmee moet de woning aan de [locatie 1] als de bedrijfswoning worden beschouwd.

De enkele stelling van appellant en de gemeenteraad dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" ten aanzien van de bestemming van de gronden per abuis een verkeerde keuze is gemaakt, waarbij de woning aan de [locatie 1] ten onrechte als bedrijfswoning is aangemerkt omdat die woning destijds reeds als burgerwoning werd gebruikt, kan niet leiden tot een ander oordeel. De Afdeling kent hierbij betekenis toe aan het bovengenoemde gemeentelijk beleid, alsmede aan het handhavend optreden van gemeentezijde tegen het geschikt maken voor bewoning van de voormalige bedrijfswoning aan de [locatie 2] enkele jaren voor het vaststellen van dat bestemmingsplan.

2.8.    Nu de woning aan de [locatie 1] kwalificeert als bedrijfswoning en het plan aan de bebouwde gronden aan de [locatie 2] de medebestemming "Agrarisch Hoofdberoepbedrijf -A-H-" toekent, schept het plan de mogelijkheid tot het oprichten van een tweede bedrijfswoning aan de [locatie 2]. Het standpunt van verweerder, dat het plan daarmee voorziet in de toevoeging van een woning aan het buitengebied, is dan ook juist. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat het plan in strijd is met de onder 2.6.1. beschreven uitgangspunten van het in het streekplan neergelegde beleid. Overigens heeft de gemeenteraad dit standpunt van verweerder ter zitting uitdrukkelijk gedeeld.

2.9.    Verweerder heeft niet bestreden dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf van appellant. Nu echter reeds een bedrijfswoning aanwezig is, kan het betoog van appellant inzake de noodzaak van een bedrijfswoning op het perceel aan de [locatie 2]     niet slagen. Bovendien is de noodzaak van een tweede bedrijfswoning noch gesteld, noch gebleken uit de stukken of het verhandelde ter zitting.  

Voorts heeft appellant niet bestreden dat in de provincie zich vaker de situatie voordoet dat een bedrijfswoning in het agrarisch bouwblok civielrechtelijk is gesplitst van het agrarisch bedrijf en feitelijk als burgerwoning wordt gebruikt. Diezelfde situatie van appellant kan daarom naar het oordeel van de Afdeling niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

De stelling van appellant dat de gronden aan de [locatie 2] moeilijk kunnen worden verkocht wanneer geen gebruik kan worden gemaakt van de voormalige bedrijfswoning aldaar, doet hier niet aan af, nu gesteld noch gebleken is dat het perceel niet voor agrarische doeleinden kan worden gebruikt zonder het gebruik als woning van dit pand.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met andere gevallen waarin vanwege de provincie goedkeuring is verleend of een verklaring van geen bezwaar is afgegeven ten behoeve van een tweede bedrijfswoning, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

Uit het voorgaande volgt dat appellant geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan verweerder een uitzondering op het provinciale beleid diende te maken.

2.10.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft derhalve terecht goedkeuring onthouden aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

12-516.