Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV7515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
29-03-2006
Zaaknummer
200506430/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2004 heeft appellant aan [vergunninghouder] een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een terrasoverkapping op het perceel, plaatselijk bekend, [locatie] (hierna: de terrasoverkapping).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506430/1.

Datum uitspraak: 29 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1038 van de rechtbank Roermond van 10 juni 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2004 heeft appellant aan [vergunninghouder] een lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een terrasoverkapping op het perceel, plaatselijk bekend, [locatie] (hierna: de terrasoverkapping).

Bij besluit van 13 juli 2004 heeft appellant (hierna: het college) het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2005, verzonden op 17 juni 2005, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 21 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 augustus 2005 heeft [wederpartij] van antwoord gediend.

De vergunninghouder, die ingevolge artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, heeft bij brief van 9 augustus 2005 een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.D.W. van Aken, ambtenaar der gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door Th.P. Sanders, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Parkhof" (hierna: het bestemmingsplan), omdat niet wordt voldaan aan de in de planvoorschriften gestelde eis dat tenminste 50% van het bouwperceel onbebouwd en onoverdekt moet blijven. Het college voert daartoe aan dat de rechtbank  ten onrechte niet relevant heeft geacht dat het tuinhuisje dat zich op het perceel bevindt een vergunningsvrij bouwwerk is.

2.1.1.    Op het betrokken perceel rust ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Woondoeleinden WI".

   Ingevolge artikel 2.01, vierde lid, onder b, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, dient op gronden met voormelde bestemming per bouwperceel tenminste 50% onbebouwd en onoverdekt te blijven.

   Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening blijven de voorschriften van het bestemmingsplan buiten toepassing voor zover deze betrekking hebben op het bouwen waarvoor krachtens artikel 43, eerste lid, van de Woningwet, geen bouwvergunning vereist is.

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is, in afwijking van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, sub 3, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningsplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) wordt, voor zover hier van belang, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de Woningwet aangemerkt, het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan het kenmerk dat het zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% wordt bebouwd.

2.1.2.     De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat, nu het bestemmingsplan geen onderscheid maakt tussen vergunningsplichtige en vergunningsvrije bouwwerken, het tuinhuis bij de berekening van de bebouwde oppervlakte dient te worden betrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 10 juli 2002 in zaak no. 200101969/1 (AB 2002, 385) dienen bouwvergunningsvrije bouwwerken niet te worden betrokken bij de beoordeling of is voldaan aan de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Gelet op de stukken staat vast dat het tuinhuisje voldoet aan het bepaalde in artikel 43 van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder b, sub 3, van het Bblb. Voorts is gebleken dat het tuinhuisje voldoet aan de overige in artikel 2, aanhef en onder b, van het Bblb gestelde vereisten voor het bouwen van beperkte betekenis. Het tuinhuis dient aldus te worden aangemerkt als een vergunningsvrij bouwwerk. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het bouwwerk vanwege de aanwezigheid van het tuinhuisje een overschrijding van de ingevolge het bestemmingsplan maximaal toegestane bebouwde oppervlakte met zich brengt en dat het college de bouwvergunning daarom wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten weigeren. Het betoog slaagt.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] beoordelen in het licht van de daartegen overigens in eerste aanleg aangedragen beroepsgronden.

2.3.    Voor zover [wederpartij] heeft betoogd dat het college niet tijdig op haar bezwaarschrift heeft beslist, blijkt uit de stukken dat de beslistermijn, na tijdige verdaging, eindigde op 16 juli 2004 en dat de beslissing op bezwaar is genomen op 13 juli 2004. Gelet hierop heeft het college tijdig beslist op het bezwaar en faalt dit betoog van [wederpartij].

2.4.    Voorts heeft zij betoogd dat de terrasoverkapping in strijd is met het bestemmingsplan, aangezien de in de planvoorschriften opgenomen maximale hoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt overschreden.

2.4.1.    Ingevolge artikel 2.01, vierde lid, onder b, zesde gedachtestreepje, van de planvoorschriften mag de goothoogte van bijgebouwen maximaal 3 meter bedragen.

   Ingevolge artikel 1.01, onder 19, van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen woning (aangebouwd en/of vrijstaand), dat in afmetingen ondergeschikt- en dienstbaar is aan de woning.

   Ingevolge hetzelfde artikel, onder 20, wordt onder een gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.    

2.4.2.     De terrasoverkapping is omgeven met drie wanden en een dak en zij is voor mensen toegankelijk. Zij voldoet derhalve aan de begripsomschrijving van een gebouw als bedoeld in het bestemmingsplan. Aangezien de terrasoverkapping is aangebouwd aan de woning van vergunninghouder en in afmetingen ondergeschikt en dienstbaar is aan de woning, is sprake van een bijgebouw als in dat plan bedoeld. Blijkens het bouwplan heeft de terrasoverkapping een hoogte van 2,90 meter. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de terrasoverkapping voldoet aan de in het bestemmingsplan gestelde hoogte-eis voor bijgebouwen. Ook dit betoog van [wederpartij] faalt.

2.5.    Het college heeft zich voorts, anders dan [wederpartij] heeft betoogd, terecht op het standpunt gesteld dat de terrasoverkapping niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De bouwtekening bij de verleende bouwvergunning is voorzien van een zogeheten positief stempeladvies van de welstandscommissie. In het besluit van 13 juli 2004 heeft het college zijn oordeel omtrent de welstand van een nadere motivering voorzien en daarbij specifiek aandacht besteed aan de in bezwaar door [wederpartij] aan de orde gestelde welstandsaspecten. Het college heeft hierbij mede betekenis mogen toekennen aan het feit dat aan het stempeladvies een negatief advies van 3 april 2003 vooraf is gegaan, waarin de welstandscommissie uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven op welke wijze de terrasoverkapping zou moeten worden uitgevoerd om aan redelijke eisen van welstand te voldoen en dat het bouwplan, blijkens de bouwtekening die behoort bij het besluit van 6 april 2004, daarmee in overeenstemming is. Het betoog faalt.    

2.6.    Het betoog van [wederpartij] dat het college ten onrechte niet eerst op een door haar gedaan verzoek tot handhaving van 9 maart 2004 heeft beslist, faalt reeds omdat het college ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet gehouden is binnen zes weken te beslissen op de bouwaanvraag. Gelet hierop kon het college niet wachten met het nemen van een besluit op de bouwaanvraag, totdat op het verzoek van [wederpartij] zou zijn beslist. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet op de bouwaanvraag mocht beslissen, alvorens te beslissen op het verzoek tot handhaving. Hetgeen [wederpartij] overigens heeft aangevoerd ten aanzien van het verzoek tot handhaving behoeft geen bespreking, aangezien hier slechts de in bezwaar gehandhaafde bouwvergunning ter toetsing voorligt.

2.7.    Het beroep tegen het besluit van 13 juli 2004 is, gelet op het vorenstaande, ongegrond.

2.8.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 juni 2005, AWB 04/1038;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Hanrath

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2006

313-392.