Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200505248/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het veranderen van een veehouderij op het perceel [locatie 1], te [plaats], kadastraal bekend gemeente Leersum, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 13 mei 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505248/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leersum, thans het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, verleend voor het veranderen van een veehouderij op het perceel [locatie 1], te [plaats], kadastraal bekend gemeente Leersum, sectie […], nummer […]. Dit besluit is op 13 mei 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2005, beroep ingesteld.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 januari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. W.G. Tideman, en verweerder, vertegenwoordigd door D.H. Bok, J. Ruijer, R. van der Sluiszen en W. Heikamp, werkzaam bij de milieudienst Zuidoost-Utrecht, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon, bijgestaan door [gemachtigde] als partij daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover daarbij is aangevoerd dat een grotere buitenloop is vergund dan volgens de stichting SKAL minimaal nodig is.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder heeft gesteld vindt de voornoemde grond wel zijn grondslag in de bedenkingen waarin immers onder punt 1 is aangevoerd dat bezwaar wordt gemaakt tegen de veranderingsvergunning vanwege de vergroting van de buitenloop. Het beroep is daarom ook op dit punt ontvankelijk.

2.2.1.    Verder heeft verweerder zich er op beroepen dat appellant strijd met de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (Pb L 103; hierna: de Vogelrichtlijn) en de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn) niet als bedenking tegen het ontwerpbesluit heeft ingebracht en het beroep ook in zoverre niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

   De Afdeling constateert dat appellant deze beroepsgrond niet in zijn bedenkingen heeft aangevoerd. Zij is echter van oordeel dat dit niet in de weg staat aan beoordeling daarvan, nu het hier gaat om mogelijk rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht waarvan de handhaving door de nationale rechter moet worden verzekerd en de afwijzing van die beoordeling ertoe zou kunnen leiden dat het gemeenschapsrechtelijke effectiviteitsbeginsel wordt geschonden.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4.    Bij het bestreden besluit is de bij de geldende revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer van 8 oktober 2003 vergunde buitenloop voor de in de inrichting te houden 12.000 biologische legkippen vergroot. De op de situatietekening die bij de geldende vergunning is gevoegd aangegeven oppervlakte van 0,6 hectare berust blijkens het bestreden besluit op een vergissing, nu volgens de stichting SKAL minimaal 4 m2 buitenloop per biologische legkip aanwezig dient te zijn.

2.5.    Appellant voert aan dat de legkippen de grond van de buitenloop kaal zullen krabben waardoor de flora en ook de weidevogels en kleine soorten zoog- en andere dieren ter plaatse zullen verdwijnen. Dit acht hij in strijd met de Vogel- en Habitatrichtlijn.

2.5.1.    De vergunde buitenloop ligt niet in een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogel- of Habitatrichtlijn. Wat de soortenbescherming betreft overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat niet is gebleken dat de omgeving ter plaatse van de buitenloop het leefgebied vormt van dier- of plantensoorten die zijn vermeld in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn. Daarnaast overweegt de Afdeling dat het aspect van de soortenbescherming primair aan de orde dient te komen in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Flora- en Faunawet is vereist en kan worden verleend. In een procedure over een dergelijke ontheffing zal verder kunnen worden nagegaan of in overeenstemming met het Verdrag van Bern is gehandeld. Voor zover het om een aanvullende beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer gaat, overweegt de Afdeling dat, mede gezien de aard van de vergunde activiteit, verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen voor de door appellant genoemde soorten zich niet in een zodanige mate zullen voordoen dat daarom nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden of de vergunning had moeten worden geweigerd.

2.6.    Appellant betoogt dat de vergunde buitenloop zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder bij zijn woning, [locatie 2]. Hiertoe voert hij aan dat verweerder voor de beoordeling van dit hinderaspect ten onrechte slechts de geluidbelasting van 150 legkippen in de buitenloop heeft gemeten terwijl de vergunning toestaat dat zich 12.000 legkippen tegelijkertijd in de buitenloop bevinden.

2.6.1.    Om te beoordelen of kan worden voldaan aan de geluidvoorschriften van de onderliggende vergunning, die ook gelden voor de buitenloop die bij het thans bestreden besluit is vergund, heeft verweerder blijkens het bestreden besluit de geluidbelasting gemeten van 150 legkippen in de buitenloop. De resultaten van de hiertoe op 22 maart 2005 verrichte metingen zijn volgens het bestreden besluit vervolgens gemodelleerd in een rekenmodel. In dit model is de geluidbelasting berekend van 6000 kippen in de buitenloop. Blijkens deze berekening kan ruimschoots worden voldaan aan de toepasselijke geluidgrenswaarden. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat tevens is berekend dat met 12.000 legkippen in de buitenloop ook nog aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het vorenstaande is door appellant niet weersproken. Gelet hierop en ervan uitgaande dat het gezien de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat de vergunde 12.000 legkippen zich doorgaans niet tegelijkertijd in de buitenloop zullen bevinden, ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd en ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich aldus ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat aan de voorgeschreven geluidgrenswaarden wordt voldaan.

2.7.    Appellant voert aan dat ten onrechte een grotere buitenloop is vergund dan de volgens de stichting SKAL benodigde oppervlakte. Verder stelt hij dat de aanwezigheid van de buitenloop zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarnaast voert hij bezwaren aan met betrekking tot het gebruik van de toegangsweg naar zijn woning die over het terrein van de buitenloop loopt en waarop een recht van overpad rust.

2.7.1.    Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kunnen reeds om die reden niet slagen.

2.8.    Appellant voert aan dat de vergunde buitenloop zal leiden tot onaanvaardbare stankhinder bij zijn woning [locatie 2]. Voor de beoordeling van dit hinderaspect is verweerder er volgens hem ten onrechte aan voorbijgegaan dat de vergunning toestaat dat zich 12.000 legkippen tegelijkertijd in de buitenloop bevinden. In dit verband stelt appellant verder dat met voorschrift 1.2 niet wordt voorkomen dat de legkippen via de gezamenlijke toegangsweg die over het terrein van de buitenloop loopt, bij de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 2] kunnen komen.

2.8.1.    Op 1 mei 2003 zijn de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet) en de Regeling stankemissie in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Regeling) in werking getreden.

   De onderhavige inrichting ligt in een gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, waarvoor op 17 maart 2005 het reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost is bekendgemaakt.

2.8.2.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

   Ingevolge artikel 1, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet wordt bij ministeriële regeling aangegeven op welke wijze bij de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de afstand tussen een veehouderij en een stankgevoelig object wordt bepaald. Hieraan is uitvoering gegeven in de Regeling.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling wordt de afstand, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet gemeten vanaf de buitenzijde van het voor stank gevoelige object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van een mestverwerkingsinstallatie of dierenverblijf.

   Ingevolge artikel 1 van de Regeling wordt in deze regeling verstaan onder emissiepunt: punt waar de lucht buiten het geheel of gedeeltelijk overdekt dierenverblijf of buiten de mestverwerkingsinstallatie treedt, dan wel naar buiten wordt gebracht; begrenzing van het niet-overdekt dierenverblijf.

   Ingevolge artikel 5, aanhef en onder b, van de Wet bedraagt, met inachtneming van de artikelen 3, eerste lid, en 4, de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf of een mestverwerkingsinstallatie tot de buitenzijde van een voor stank gevoelig object categorie III of IV ten minste 25 meter.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden.

2.8.3.    Ter voorkoming dan wel beperking van stankhinder veroorzaakt door de kippen in het buitenverblijf heeft verweerder de voorschriften 1.1 en 1.2 aan de vergunning verbonden.

   Ingevolge voorschrift 1.1 moet de afstand van het buitenverblijf (= uitloop) van de legkippen tot de woningen van derden aan de [locatie 4], [locatie 5], [locatie 3], [locatie 2], [locatie 6] en de [locatie 7], minimaal 50 meter bedragen.

   Ingevolge voorschrift 1.2, voor zover hier van belang, dienen er zodanige voorzieningen te worden getroffen dat gewaarborgd is dat er geen legkippen bij de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 2] kunnen komen.

2.8.4.    De bij het bestreden besluit vergunde buitenloop behoort bij de bij de geldende vergunning vergunde legkippenstal die, blijkens de aanvraag voor die vergunning, plaats biedt aan alle 12.000 legkippen. Het leggen van eieren vindt, blijkens de aanvraag bij de geldende vergunning, plaats in de stal. De legkippen worden verder hoofdzakelijk gevoerd in de stal en verblijven daar gedurende de nachtperiode.

   De vergunde buitenloop valt, gezien de samenhang met de daarbij behorende stal, gelet op de voornoemde artikelen van de Wet en de Regeling en de toelichting daarop, niet onder het begrip "dierenverblijf" als bedoeld in de Wet en de Regeling.

2.8.5.    Onbestreden is dat de woning van appellant moet worden aangemerkt als een stankgevoelig object categorie IV als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder d, sub 2, van de Wet.

   Aan het aantal legkippen dat gelijktijdig in de buitenloop mag zijn, zijn, zoals appellant naar voren brengt, in de bij het bestreden besluit verleende vergunning geen beperkingen gesteld. Daargelaten het door verweerder genoemde aantal kippen, acht de Afdeling het echter aannemelijk, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de vergunde 12.000 legkippen zich doorgaans niet tegelijkertijd in de buitenloop zullen bevinden. Het mesten van de kippen vindt verder voornamelijk plaats in de stal. Gezien deze omstandigheden heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een afstand van 50 meter vanaf de grens van de buitenloop tot de woning van appellant, zoals vastgelegd in voorschrift 1.1, toereikend is ter voorkoming van onaanvaardbare stankhinder vanwege de kippen in de buitenloop. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat de in artikel 5 van de Wet voorgeschreven minimale gevel-gevel-afstand voor categorie IV objecten slechts 25 meter bedraagt. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk zou zijn zodanige voorzieningen te treffen dat de legkippen niet op kortere afstand tot de woningen [locatie 3] en [locatie 2] zullen komen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd en ook overigens ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich wat dit punt betreft niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat kan worden volstaan met voorschrift 1.2.

2.9.        Het beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. De Vink

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

154.