Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6274

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200504531/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2002 heeft verweerder voor appellante de budgettering van de kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge de Ziekenfondswet voor het jaar 2003 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2006, 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200504531/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de onderlinge waarborgmaatschappij met uitgesloten aansprakelijkheid "Onderlinge Waarborgmaatschappij Agis Zorgverzekeringen U.A.", gevestigd te Amersfoort,

appellante,

en

het College voor zorgverzekeringen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2002 heeft verweerder voor appellante de budgettering van de kosten van verstrekkingen en vergoedingen ingevolge de Ziekenfondswet voor het jaar 2003 vastgesteld.

Bij besluit van 14 april 2005 heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 mei 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 juli 2005.

Bij brief van 2 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 januari 2006 heeft appellante nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. C.J.A. Sleurink, advocaat te Amersfoort, drs. A.P.M. van der Lee en drs. J.G.M. Hendriks, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.J.G.M. van den Hoek en mr. M. van Dijen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de Zfw), zoals dit luidde ten tijde hier van belang, verstrekt het College zorgverzekeringen aan de ziekenfondsen ten laste van de Algemene Kas jaarlijks een uitkering ter gehele of gedeeltelijke dekking van de kosten van de verzekering ingevolge deze wet.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Zfw wordt jaarlijks bij ministeriële regeling geregeld welke middelen beschikbaar zijn voor de uitkeringen aan ziekenfondsen voor het volgende kalenderjaar. In die regeling worden tevens regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van de uitkeringen, alsmede met betrekking tot de nadere vaststelling van de uitkeringen, bedoeld in het vijfde lid.

   Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Zfw stelt het College voor zorgverzekeringen beleidsregels vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze het toepassing geeft aan de in het tweede lid bedoelde regels. De beleidsregels behoeven de goedkeuring van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

   Ingevolge artikel 19, zevende lid, van de Zfw kunnen bij ministeriële regeling ter zake van de verstrekking van uitkeringen nadere regels worden gesteld.

2.1.1.        Bij de Regeling beschikbare middelen verstrekkingen en vergoedingen Zfw 2003 (Stcrt. 2002, 215, hierna: de Regeling) heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de in artikel 19, tweede en zevende lid, van de Zfw bedoelde regeling vastgesteld.

   Ingevolge artikel 19 van de Regeling, voor zover hier van belang, kan het College zorgverzekeringen ten laste van de Algemene Kas een uitkering verstrekken in verband met een substantieel of structureel verschil tussen kosten en budget dat rechtstreeks verband houdt met hogere kosten van verzekerden als gevolg van een naar het oordeel van het College zorgverzekeringen bijzondere geografische situatie of zeer uitzonderlijke omstandigheid.

2.1.2.        Bij besluit van 6 november 2002 heeft verweerder voor het jaar 2003 de Beleidsregels voor de toepassing van de Regeling beschikbare middelen verstrekkingen en vergoedingen Zfw 2003 (Stcrt. 2002, 223, hierna: de beleidsregels) vastgesteld, die door de minister zijn goedgekeurd.  

   Blijkens artikel 17, eerste lid, van de beleidsregels, voor zover hier van belang, stelt het College zorgverzekeringen de ziekenfondsen in de gelegenheid na de voorlopige vaststelling van de nadere uitkering van een ziekenfonds een aanvraag te doen voor een uitkering, als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, ten laste van de Algemene Kas voor de slachtoffers van de nieuwjaarsramp in Volendam en separaat voor de verzekerden op de Friese waddeneilanden.

2.2.        Het geschil heeft betrekking op het door verweerder in het besluit van 7 november 2002 ex ante vastgestelde budget verstrekkingen en vergoedingen Zfw 2003 van € 2.358.276.952,00 en de vastgestelde uitkering voor deze gebudgetteerde kosten van € 2.036.036.185,00. Niet in geschil zijn het in dat besluit eveneens vastgestelde te verwachten voorlopig herberekend budget van € 2.346.836.387,00, de te verwachten voorlopig herberekende nadere uitkering voor deze gebudgetteerde kosten van € 2.024.595.620,00 en de beheerskosten 2003.

2.3.        Appellante betoogt dat verweerder het bestreden besluit van 14 april 2005, waarbij haar bezwaar ongegrond is verklaard, niet met de nodige zorgvuldigheid heeft voorbereid en genomen. Ook is het besluit volgens appellante niet of nauwelijks deugdelijk gemotiveerd. Zij voert daartoe aan dat zij door het bestreden besluit onevenredig in haar belang wordt getroffen vergeleken met andere ziekenfondsen en dat sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hadden moeten nopen van artikel 17 van zijn beleidsregels af te wijken door appellante een uitkering als bedoeld in artikel 19 van de Regeling toe te kennen. Deze bijzondere omstandigheden bestaan volgens appellante hierin dat zij een cumulatie van negatieve effecten ondervindt van, ten eerste, het feit dat de minister het nacalculatiepercentage van de vaste ziekenhuiskosten heeft vastgesteld op 95% in plaats van 100%, ten tweede, het feit dat bij haar relatief weinig (voor ziekenfondsen goedkope) zelfstandigen als ziekenfondsverzekerden staan ingeschreven en, ten derde, de grotestedenproblematiek, nu bij haar veel (voor ziekenfondsen dure) ziekenfondsverzekerden uit Amsterdam staan ingeschreven.  

2.4.         Daargelaten of een verzoek om een uitkering als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, gelet op artikel 17, eerste lid, van de beleidsregels, aan de orde kan komen in het kader van een ex ante vaststelling zoals hier aan de orde, slaagt dit betoog niet. Gelet op de formulering van artikel 19 van de Regeling komt verweerder beoordelingsvrijheid toe bij het beslissen op een verzoek om een uitkering ingevolge genoemd artikel. Verweerder heeft aan deze beoordelingsvrijheid invulling gegeven in zijn beleidsregels, die door de minister zijn goedgekeurd. In artikel 17, eerste lid, van deze beleidsregels is bepaald dat ziekenfondsen (voor het jaar 2003) alleen voor een uitkering als bedoeld in artikel 19 van de Regeling in aanmerking kunnen komen ten behoeve van de slachtoffers van de nieuwjaarsramp in Volendam en ten behoeve van de verzekerden op de Friese waddeneilanden. Gelet op de toelichting bij artikel 19 van de Regeling, dat een ramp of calamiteit noemt als voorbeelden van een niet beïnvloedbare uitzonderlijke omstandigheid, is dit beleid niet onredelijk.

   De door appellante als bijzonder aangevoerde omstandigheden waren de minister bekend voordat hij de beleidsregels goedkeurde en moeten derhalve geacht worden te zijn betrokken bij de vaststelling van de Regeling, ter uitvoering waarvan de beleidsregels dienen. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten niet van zijn beleidsregels af te wijken als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellante aangevoerde omstandigheden geen uitzonderlijke omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 19 van de Regeling. Dat appellante meer negatieve effecten stelt te ondervinden dan andere zorgverzekeraars, maakt dit niet anders.  

2.5.        Het beroep is ongegrond.

2.6.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Groenendijk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

164-477.