Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200506507/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft verweerder aan (Stadsdeel Zuideramstel van) de gemeente Amsterdam een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een stadsdeelwerf op het perceel De Borcht 10 te Amsterdam. Dit besluit is op 15 juni 2005 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2006/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506507/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2005 heeft verweerder aan (Stadsdeel Zuideramstel van) de gemeente Amsterdam een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een stadsdeelwerf op het perceel De Borcht 10 te Amsterdam. Dit besluit is op 15 juni 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 25 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2005.

Bij brief van 20 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 16 november 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. L.M. Ravestijn, advocaat te Amstelveen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. L. Oost Lievense, V.P. Fournadjiev en A.G. van der Bijl, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel  8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3.    Appellant is beducht voor geluidhinder. Hij voert aan dat verweerder het ongemotiveerd acceptabel heeft geacht dat de richtwaarden voor het maximale geluidniveau worden overschreden. Verder stelt hij dat uit het voorschrijven van controlemetingen blijkt dat onzeker is of de geluidgrenswaarden kunnen worden nageleefd.

2.4.    Verweerder heeft bij het stellen van de geluidvoorschriften voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau aansluiting gezocht bij de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). In hoofdstuk 4 van de Handreiking is vermeld dat bij het vaststellen van de geluidgrenswaarden voor bestaande inrichtingen in de eerste plaats dient te worden aangesloten bij de in dat hoofdstuk genoemde richtwaarden. Deze richtwaarden zijn afhankelijk van de aard van de woonomgeving.

   Blijkens het deskundigenbericht is de omgeving van de inrichting aan te merken als een "rustige woonwijk, weinig verkeer" als bedoeld in de Handreiking. Voor deze omgeving zijn geluidgrenswaarden aanbevolen van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft deze geluidgrenswaarden overgenomen in vergunningvoorschrift H.1. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunning op dit punt een toereikend beschermingsniveau biedt.

2.4.1.    Met betrekking tot de maximale geluidniveaus overweegt de Afdeling dat verweerder in voorschrift H.2 maximale geluidgrenswaarden heeft gesteld die (beduidend) lager zijn dan de grenswaarden die in de Handreiking als maximaal aanvaardbaar zijn aangemerkt. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat deze grenswaarden voldoende bescherming bieden tegen piekgeluidhinder.

2.4.2.    Met betrekking tot de naleefbaarheid van de gestelde geluidnormen overweegt de Afdeling dat volgens het akoestisch rapport van 15 juni 2005 behorende bij de aanvraag aan de geluidnormen kan worden voldaan. De Afdeling ziet, gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om aan die bevindingen te twijfelen. Dat controlemetingen zijn voorgeschreven betekent niet dat de grenswaarden niet kunnen worden nageleefd. De Afdeling merkt daarbij op dat ingevolge artikel 8.13, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden inhoudende dat metingen worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

2.5.    Appellant is beducht voor geluidhinder als gevolg van verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Deze hinder zal volgens hem met name in de ochtendperiode optreden. Hij stelt in dit verband dat verweerder ten onrechte geluidgrenswaarden van 50 dB(A) (etmaalwaarde) toelaatbaar heeft geacht, terwijl de inrichting ligt in een rustige woonwijk met weinig verkeer, zoals bedoeld in de Handreiking. Hiervoor zijn in de Handreiking grenswaarden aanbevolen van 45 dB(A) (etmaalwaarde), aldus appellant.

   Verweerder heeft de aanvraag op dit punt beoordeeld aan de hand van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van 29 februari 1996 (hierna: de circulaire). Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 juni 1997, nr. E03.96.0958 (AB 1997, 298) heeft geoordeeld is het hanteren van de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) uit de circulaire niet in strijd met het recht. De gebiedstypering uit de Handreiking is, anders dan appellant veronderstelt, daarbij niet relevant.

   In het akoestisch rapport is de geluidbelasting vanwege de verkeersbewegingen van en naar de inrichting ter plaatse van de relevante woningen van derden berekend. Deze bedraagt ten hoogste 47 dB(A). De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Verweerder heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien de vergunning vanwege geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting te weigeren.

2.6.    Appellant betoogt dat de activiteiten binnen de inrichting, zoals het deponeren van klein chemisch afval en asbesthoudend afval alsmede de opslag van vloeibaar en vast wegenzout, zich niet verdragen met de omgeving. Naar zijn mening leveren deze activiteiten risico's op voor de bodem en de nabijgelegen natuurgebieden, zoals de Amstel en het Amstelpark, die behoren tot het zogeheten "Ecolint".

2.7.    In de vergunning zijn diverse voorschriften gesteld ter voorkoming dan wel beperking van de bovengenoemde risico's. Zo is in voorschrift C-24 bepaald dat asbesthoudend materiaal alleen in de inrichting mag worden gebracht als het is verpakt in een goed gesloten niet-luchtdoorlatende dubbele kunststof verpakking. Voorts is in voorschrift B-1 bepaald dat geen bewerking van afval mag plaatsvinden. Voorschrift G-3 bepaalt dat het depot voor klein chemisch afval, de opslag van veegvuil en veegzand en de brandstoftankplaats moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer. In voorschrift F-4 is bepaald dat de vloer van de opslagplaats, laad- en losplaats van wegenzout en de opstelplaats voor de tank voor vloeibaar wegenzout vloeistofkerend moet zijn. Tenslotte zijn in hoofdstuk C van de vergunning diverse maatregelen voorgeschreven die overeenstemmen met de CPR 11-2 en 15-1 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen.

2.8.    Gelet op bovenstaande voorschriften en op hetgeen in het deskundigenbericht is gesteld en ter zitting naar voren is gebracht, heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vergunning voldoende waarborgen biedt tegen risico's voor bodemverontreiniging en nabijgelegen gebieden. Voor zover appellant aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.9.    Appellant stelt tot slot dat door het in werking zijn van de inrichting de waarde van zijn woning zal verminderen.

   Dit aspect is geen belang dat de Wet milieubeheer beoogt te beschermen. De grond kan reeds hierom niet slagen.

2.10.    Het beroep is ongegrond.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van Helvoort

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

361.