Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200507048/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2005 heeft verweerder een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd voor de wijziging van een nertsenhouderij aan de Okkenbroekstraat 14 te Nieuw-Heeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507048/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2005 heeft verweerder een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geaccepteerd voor de wijziging van een nertsenhouderij aan de Okkenbroekstraat 14 te Nieuw-Heeten.

Bij besluit van 24 juni 2005, verzonden op 30 juni 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 augustus 2005, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 september 2005.

Bij brief van 27 september 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door J.J.M. Legebeke, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Olde Leide B.V.", vertegenwoordigd door G.J.S. Nijkamp en H.J. Hof.

2.    Overwegingen

2.1.        Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

       Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.2.    Het standpunt van verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op het Besluit luchtkwaliteit 2005, omdat deze grond niet in bezwaar is aangevoerd, vindt geen steun in het recht, in het bijzonder artikel 6:13 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht. Ook overigens vloeit niet uit de wet of uit enig rechtsbeginsel voort dat gronden die niet expliciet in bezwaar zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Er is daarom geen reden waarom de Afdeling niet mede op grondslag van deze grond uitspraak zou kunnen doen.

2.3.    Uit de stukken is gebleken dat de wijziging betrekking heeft op het binnen de inrichting verplaatsen van nertsen(sheds) naar stal 3.

   Bij besluit van 5 juni 2001 is krachtens de Wet milieubeheer voor de onderhavige inrichting een revisievergunning verleend.

2.4.    Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

   a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

   b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

   c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25 (oud).

2.5.    Appellanten betogen dat verweerder de melding ten onrechte in behandeling heeft genomen, omdat deze onvoldoende informatie bevatte ten aanzien van het stalsysteem.

   Vastgesteld moet worden dat op de bij de melding behorende tekening is aangegeven met welk stalsysteem stal 3 zal worden uitgevoerd. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de melding op dit punt voldoende informatie bevatte om te beoordelen of de beoogde verandering van de inrichting voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

2.6.    Appellanten betogen dat de voorgenomen wijziging niet met een melding kon worden afgedaan aangezien ze betrekking heeft op het houden van dieren en het rijden met een voederwagen op een plaats waarvoor nog niet eerder vergunning is verleend. Voor wijziging is daarom een milieuvergunning nodig, aldus appellanten. In dit verband voeren zij aan dat de afstand tussen de inrichting en voor stank- en geluidgevoelige objecten afneemt. Voorts biedt de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) volgens appellanten niet de mogelijkheid de beoogde wijziging met een melding af te doen. Daarbij voeren zij aan dat in de Wet stankemissie voor de beoordeling van stankhinder het beslissen op een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer niet wordt genoemd. Daarnaast betogen appellanten dat de voorgenomen wijziging gevolgen heeft voor de concentratie aan zwevende deeltjes in de omgeving van de inrichting. In dit verband wijzen zij concreet op het verwaaien van nertsenhaartjes. Verweerder heeft volgens appellanten in zoverre onvoldoende onderzocht of aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 kan worden voldaan.

2.7.    De Afdeling stelt voorop dat de melding niet kan worden geweigerd enkel op grond van de omstandigheid dat dieren op een andere plaats binnen de inrichting zullen worden gehouden en dat met een voederwagen wordt gereden, anders dan in de eerder vergunde situatie. Eerst indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer moet de melding worden geweigerd. Voorts moet worden geconstateerd dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 grenswaarden bevat voor zwevende deeltjes (PM10). Nertsenhaartjes zijn niet dergelijke zwevende deeltjes. Het beroep kan in zoverre, wat hiervan ook zij, niet slagen.

   Bij de melding wordt het veebestand niet gewijzigd. Aannemelijk is geworden dat met de wijziging de afstand tussen het emissiepunt van de inrichting en het dichtstbijgelegen stankgevoelige object niet afneemt ten opzichte van die in de oorspronkelijke vergunde situatie. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt noch is anderszins gebleken dat met de voorgenomen wijziging niet aan de geluidnormen van de vergunning kan worden voldaan. Ook in hetgeen appellanten voor het overige aanvoeren bestaat geen reden voor het oordeel dat de gemelde verandering leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die welke de inrichting ingevolge de verleende vergunning uit 2001 mag veroorzaken. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het betoog van appellanten over de Wet stankemissie kan hier niet aan afdoen.

2.8.    Voor zover appellanten betogen dat onvoldoende voorschriften ter voorkoming dan wel voldoende beperking van stof- en geluidhinder aan het bestreden besluit zijn verbonden, overweegt de Afdeling dat artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer het bevoegd gezag niet de bevoegdheid geeft tot het stellen van nadere voorschriften. Voor zover appellanten zich richten tegen de aan de vergunning van 2001 verbonden voorschriften ten aanzien van de aspecten stof- en geluidhinder, overweegt de Afdeling dat deze grond zich niet richt tegen de rechtmatigheid van het thans ter beoordeling staande bestreden besluit. Het beroep kan in zoverre niet slagen.

2.9.    Het beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Leeuwen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

373.