Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200506356/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 18 juni 2003 heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) op zijn aanvraag om bestuursrechtelijke maatregelen te treffen tegen de door appellante op te richten geluidwal ter plaatse van een groenstrook aan de Pesserdijk te Noordscheschut en het opslaan van puin op het desbetreffende perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 43K
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506356/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 03/1013 van de rechtbank Assen van 13 juni 2005 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen.

1.    Procesverloop

Bij brief van 18 juni 2003 heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen (hierna: het college) op zijn aanvraag om bestuursrechtelijke maatregelen te treffen tegen de door appellante op te richten geluidwal ter plaatse van een groenstrook aan de Pesserdijk te Noordscheschut en het opslaan van puin op het desbetreffende perceel.

Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft het college het door [wederpartij] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college, voor zover het verzoek om handhaving de aanleg van de geluidwal en de opslag van puin op het terrein van het bedrijf van appellante betreft, geweigerd om bestuursrechtelijke maatregelen te treffen. Voor zover het verzoek om handhaving de aanleg van de geluidwal op de groenstrook betreft, heeft het college vermeld dat zal worden afgezien van de aanleg van de geluidwal langs de Pesserdijk en dat het reeds gekapte gedeelte van de groenstrook zal worden herplant.

Bij uitspraak van 13 juni 2005, verzonden op 14 juni 2005, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college opnieuw dient te beslissen op het bezwaarschrift van [wederpartij], met in achtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 20 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 augustus 2005 heeft [wederpartij] een reactie ingediend.

Bij brief van 1 september 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Partijen zijn met bericht van verhindering niet op de zitting van 14 maart 2006 verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het geschil spitst zich toe op de puinopslag op het terrein van het bedrijf van appellante.

2.2.    Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en de beslissing op het verzoek van [wederpartij] om handhaving mitsdien geen besluit is waartegen beroep openstond. Appellante stelt in dit kader dat [wederpartij] vanuit zijn woning geen zicht heeft op de puinopslag en dat de afstand van de woning van [wederpartij] tot de puinopslag, die naar niet in geding is circa 300 meter bedraagt, te groot is om belanghebbendheid aan te nemen. Dat vanaf het perceel van [wederpartij], dat op een afstand ligt van circa 200 meter van de puinopslag, wel zicht is op het opgeslagen puin doet naar zijn oordeel hieraan niet af.

2.2.2.    Dit betoog faalt. Vaststaat dat het op het terrein van appellante opgeslagen puin varieert in omvang en in hoogte en dat de puinopslag in ieder geval een hoogte van negen meter kan bereiken. Tussen het perceel van [wederpartij] en de puinopslag bevinden zich, zeer verspreid, enkele bouwwerken en tevens enkele bomen en struiken. [wederpartij] heeft dientengevolge vanaf zijn perceel vrij zicht op de puinopslag, terwijl de ruimtelijke uitstraling daarvan, gelet op de omvang van de puinopslag, de omstandigheid dat geregeld puin van en naar de opslag wordt aan- en afgevoerd en het open karakter van het omliggende landschap, van zodanige betekenis moet worden geacht dat ondanks de afstand tussen beide percelen niet staande kan worden gehouden dat [wederpartij] door het besluit niet rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen. Het betoog van appellante, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2003 in zaak no. 200300594/1 (AB 2004, 229), dat sprake moet zijn van zicht vanuit de woning om belanghebbendheid aan te nemen, faalt, reeds omdat het in die uitspraak de kring van belanghebbenden betrof inzake een kapvergunning. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.3.    Het betoog van appellante dat het beroepschrift van [wederpartij] ten onrechte geen gronden bevat, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden verworpen. Niet kan worden staande gehouden dat niet duidelijk is waartegen het beroepschrift zich richtte.

2.4.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Noord B" rust op het perceel van appellante de bestemming "Industriële bedrijven (BI)".

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, is het verboden gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

   Artikel 10 bevat voorschriften voor gronden met de bestemming "Industriële bedrijven".    

   Ingevolge artikel 10, zesde lid, aanhef en onder e, is onder gebruik in strijd met de bestemming als bedoeld in artikel 5 in elk geval begrepen het gebruiken van onbebouwde gronden op zodanige wijze dat daardoor het landschapsschoon onevenredig wordt ontsierd.

2.4.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van het college van 16 oktober 2003 onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd voor zover het betreft de puinopslag op het terrein van appellante. Zij stelt dat het college, gelet op de aan hem toekomende beoordelingsvrijheid, in het besluit heeft kunnen volstaan met de overweging dat van onevenredige ontsiering van het landschapsschoon geen sprake is omdat de groenstrook aan de oostzijde van het terrein van appellante opnieuw wordt geplant.

2.4.2.    Dit betoog faalt. In het besluit van 16 oktober 2003 is het college er kennelijk van uit gegaan dat door het planten van de groenstrook het zicht op de puinopslag zodanig wordt verminderd dat geen sprake is van onevenredige ontsiering van het landschapsschoon. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat het college zich er ten onrechte niet van heeft vergewist wat de hoogte van de puinopslag is en hoe hoog de puinopslag maximaal kan zijn en bij welke hoogte naar het oordeel van het college geen sprake is van onevenredige ontsiering van het landschapsschoon. Nu dit niet is onderzocht en het college is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie, is niet inzichtelijk op basis waarvan het college tot de conclusie is gekomen dat door het planten van de groenstrook geen sprake is van een onevenredige ontsiering van het landschapsschoon. Het besluit is dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. Dat het college terzake beoordelingsvrijheid heeft doet er niet aan af dat het college zijn besluit deugdelijk moet motiveren.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Van Driel

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

218-414.