Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6249

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200503128/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een betonbrug aan de [locatie] te Nieuwerkerk aan den IJssel, kadastraal bekend sectie […] nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200503128/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/928 van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 maart 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het oprichten van een betonbrug aan de [locatie] te Nieuwerkerk aan den IJssel, kadastraal bekend sectie […] nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 november 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, voorzover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het college het door appellant ingediende bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2002 opnieuw ongegrond verklaard.

Bij besluit van 31 maart 2004 heeft het college de onderhavige bouwvergunning overgeschreven op naam van Saltus Beheer B.V. (hierna: Saltus).

Bij uitspraak van 18 maart 2005, verzonden op 31 maart 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellant tegen het besluit van 20 januari 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 april 2005, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 april 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 12 mei 2005 heeft Saltus die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 12 mei 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 14 december 2005 heeft het college nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 januari 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Boere en A. Polak, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen Saltus, bijgestaan door mr. A.J. ter Wee, advocaat te Zwolle.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" rusten op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Water".

2.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwen van een brug ten behoeve van agrarische doeleinden niet in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het beoogde gebruik van de brug in strijd is met het bestemmingsplan, nu deze brug volgens hem voor andere dan agrarische doeleinden zal worden gebruikt.

2.3.1.    Bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan moet niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in, dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

    Vast staat dat de brug strekt ter ontsluiting van een agrarisch perceel, dat niet op enige andere wijze wordt ontsloten naar de openbare weg. Niet aannemelijk is geworden dat de vergunninghouder ten tijde van het bestreden besluit anders dan agrarische activiteiten als oogmerk had voor het gebruik van het perceel en de brug. Dat het perceel ten tijde van dat besluit braak lag maakt dit niet anders, nu, gelet op artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bestemmingsplan slechts verbods- en geen gebodsbepalingen kan bevatten en geen actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming kan opleggen. Het braak laten liggen en het niet gebruiken van het perceel kan verder niet worden aangemerkt als gebruiken in strijd met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voorts is eventueel met het bestemmingsplan strijdig (mede)gebruik voor industriële doeleinden, anders dan appellant betoogt, voldoende ingedamd door de aangebrachte fysieke belemmeringen tussen het perceel en de aangrenzende percelen en de afspraken die zijn gemaakt tussen de rechthebbenden op de betreffende percelen, waarbij in aanmerking wordt genomen dat die aangrenzende percelen reeds een ontsluiting naar de openbare weg hebben.

    Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere dan agrarische doeleinden. De rechtbank is dan ook met recht tot de conclusie gekomen dat het college terecht bouwvergunning heeft verleend voor het bouwplan, nu zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet. Het betoog van appellant faalt.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

17-444.