Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6244

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200601140/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) aan de gemeente Heerlen (hierna: vergunninghoudster) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van een gedeelte van het pand Klompstraat 1 tot en met 9 te Heerlen (hierna: De Klomp) ten behoeve van de vestiging van een dag- en nachtopvang voor verslaafden en huisvesting voor gemeentelijke toezichthouders (hierna: de DNO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601140/2.

Datum uitspraak: 16 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

Vereniging "Uit de Klomp", gevestigd te Heerlen, en 23 anderen,

verzoekers,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/81, 06/80, 06/163 en 06/133 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 3 februari 2006 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (hierna: het college) aan de gemeente Heerlen (hierna: vergunninghoudster) met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het intern verbouwen van een gedeelte van het pand Klompstraat 1 tot en met 9 te Heerlen (hierna: De Klomp) ten behoeve van de vestiging van een dag- en nachtopvang voor verslaafden en huisvesting voor gemeentelijke toezichthouders (hierna: de DNO).

Bij besluit van 2 december 2005 heeft het college het daartegen door verzoekers gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 februari 2006, verzonden op 20 februari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoekers bij brief van 10 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 maart 2006.

Bij brief van 10 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 maart 2006, waar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, die ook de overige aanwezige verzoekers bijstond, en het college, vertegenwoordigd door F.A.G. Hol, wethouder, mr. M. Huppertz, mr. P.S.P. Vanderheyden, J. Honings, B. Vervoort en drs. S. Gottgens, allen ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden.

2.3.    Er bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de bouwvergunning niet mocht worden verleend. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.3.1.    Het college heeft voorafgaand aan het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunning onderzoek laten verrichten naar mogelijke locaties voor een permanente vestiging van de DNO. In de beslissing op bezwaar heeft het college aangegeven waarom de door verzoekers genoemde locatie aan de Valkenburgerweg uit oogpunt van beheersbaarheid minder geschikt is. De keuze voor De Klomp, welke locatie ook bij de ingeschakelde deskundige hoge ogen zou gooien en met een krediet van de gemeenteraad kon worden uitgevoerd, is daarmee het resultaat van een bestuurlijke afweging.

    Ten aanzien van de mate van inbreuk van het bouwplan op het planologische regime kan er voorts niet aan voorbij worden gegaan dat de gedeeltelijk op het perceel rustende bestemming "Centrumvoorzieningen en/of maatschappelijke voorzieningen (C/M)" de DNO in deze omvang zonder meer toelaat, doch vergunninghoudster vanwege een optimale inpassing in De Klomp heeft gekozen voor een gedeeltelijke situering in de parkeergarage, waardoor een vrijstellingsprocedure noodzakelijk was.

    Mede door de maatregelen in het voor de DNO opgestelde beheersplan, waaronder de permanente aanwezigheid van toezichthouders en camerabewaking, en de aanwijzing van andere opvanglocaties in de omgeving om in de totale behoefte te voorzien, is ook in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van verzoekers.

    In hetgeen door verzoekers overigens is aangevoerd met betrekking tot de Wet Geluidhinder en de externe veiligheid ziet de Voorzitter geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

2.4.    Gezien voorts de betrokken belangen, waaronder het belang van vergunninghoudster om gebruik te kunnen maken van de bouwvergunning in verband met afspraken over de verplaatsing van de DNO, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek wordt daarom afgewezen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2006

429.