Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200601138/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (hierna: het college) aan BAM Vastgoed Regio Noord Oost (hierna: vergunninghouder) bouwvergunning verleend voor de bouw van 42 woningen op de percelen Kurt Schwitterstraat 2A - 16 en Theo van Doesburgstraat 3 - 25, 2 - 4, 18 - 28, 38 - 48, 66 - 78 en 35 - 37 te Drachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601138/2.

Datum uitspraak: 16 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [verzoekers sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/2132 en 06/35 en 06/66 en 06/67 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2006 in het geding tussen:

verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (hierna: het college) aan BAM Vastgoed Regio Noord Oost (hierna: vergunninghouder) bouwvergunning verleend voor de bouw van 42 woningen op de percelen Kurt Schwitterstraat 2A - 16 en Theo van Doesburgstraat 3 - 25, 2 - 4, 18 - 28, 38 - 48, 66 - 78 en 35 - 37 te Drachten.

Bij besluit van 6 december 2005 heeft het college de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2006, verzonden op 23 januari 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben verzoeker sub 1 bij brief van 7 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2006, en verzoekers sub 2 bij brief van 13 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 7 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2006, heeft verzoeker sub 1 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 2 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2006, hebben verzoekers sub 2 de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 maart 2006, waar verzoeker sub 1 in persoon, bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, verzoekers sub 2 in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Boersma en B. Wester, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door ir. R.M.J. Hannink, bijgestaan door mr. H.J. Tijssen, advocaat te Bunnik.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg de tegen het besluit ingestelde beroepen ongegrond heeft bevonden.

2.3.    Beantwoording van de vraag of het bouwplan voor de 42 woningen voldoet aan de in het bestemmingsplan opgenomen eisen zal in de bodemprocedure moeten geschieden. Ten aanzien van de vraag of in afwachting daarvan aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, wordt als volgt overwogen.

2.4.    Onbetwist staat vast dat de ingevolge de bouwvergunning te bouwen vier twee-onder-een-kap woningen in het bouwblok waar verzoekers wonen en waartegen hun grieven zich met name richten, op zichzelf niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. De bouw van deze acht woningen is, naar ter zitting is gebleken, in een gevorderd stadium. De Voorzitter ziet om deze redenen geen noodzaak tot het treffen van een voorlopige voorziening. In het kader van de belangenafweging is daarbij mede in aanmerking genomen dat een onderbreking van de bouwstroom, naar ter zitting is betoogd, voor vergunninghouder grote financiële gevolgen zal hebben.

2.5.    De verzoeken worden daarom afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2006

429.