Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200507882/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom het wijzigingsplan "Dorpsstraat 8 te Wijngaarden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507882/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom het wijzigingsplan "Dorpsstraat 8 te Wijngaarden" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 juli 2005, kenmerk DRM/ARB/05/5216A, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2006, waar appellant, in persoon en bijgestaan door K. Weren, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.M. Hemelaar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom, vertegenwoordigd door G. Schut, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. J.R. van Manen, advocaat te Sliedrecht.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht. De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het wijzigingsplan. Volgens appellant had het college van burgemeester en wethouders geen gebruik mogen maken van de wijzigingsbevoegdheid omdat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het plan maakt woningbouw mogelijk binnen een afstand van 100 meter tot zijn melkveehouderij, en derhalve binnen de stankcirkel, terwijl appellant juist alle moeite heeft genomen om zijn bedrijf op een afstand van 100 meter of meer van de reeds bestaande woningen te bouwen. Hij vreest dat het plan de bestaande en voorgenomen uitbreidingsmogelijkheden voor zijn bedrijf zal beperken en hem in zijn bedrijfsvoering zal belemmeren. Daarnaast is de koper van het voormalig agrarische perceel aan de Dorpsstraat 8 voornemens meer dan één woning op dit perceel te bouwen, aldus appellant.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het wijzigingsplan niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij stemt in met de weerlegging van de zienswijze door het college van burgemeester en wethouders.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    In het bestemmingsplan "Dorpskern Wijngaarden" is aan het plandeel dat ziet op het perceel aan de Dorpsstraat 8 de bestemming "Agrarische doeleinden" toegekend.

2.5.2.    Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden" van het perceel aan de Dorpsstraat 8 te Wijngaarden in de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin". Met de aanduiding van één stip op de kaart van het wijzigingsplan maakt het wijzigingsplan de bouw van één woning binnen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" mogelijk. Het betreft een partiële wijziging van het bestemmingsplan "Dorpskern Wijngaarden", dat is vastgesteld op 6 juni 1994.

2.5.3.    Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 16, zestiende lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Dorpskern Wijngaarden".

   Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, uitsluitend indien sprake is van bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf, de bestemming van het gedeelte van die gronden waarop een bedrijfswoning is gebouwd, daaronder begrepen de gebouwen waarvan de bedrijfswoning inpandig deel uitmaakt alsmede de bij de woning behorende gronden, te wijzigen in de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin", ten behoeve van de aanpassing of verandering van deze gebouwen die in de toekomst niet meer als zodanig gebruikt zullen worden ten einde deze geschikt te houden of beter geschikt te maken voor bewoning door niet-agrariërs.

2.5.4.    Het agrarisch bedrijf dat was gevestigd op het perceel aan de Dorpsstraat 8 is beëindigd. De bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf alsmede de gebouwen waarvan deze bedrijfswoning inpandig deel uitmaakte zijn gesloopt om plaats te maken voor nieuwe gebouwen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Zoals in overweging 2.5.3. is overwogen is het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van artikel 16, zestiende lid, aanhef en onder c, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Dorpskern Wijngaarden". In dit artikel is, voor zover hier van belang, het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid toegekend om, indien sprake is van bedrijfsbeëindiging van een ter plaatse gevestigd agrarisch bedrijf, de bestemming van het gedeelte van die gronden waarop een bedrijfswoning is gebouwd, daaronder begrepen de gebouwen waarvan de bedrijfswoning deel uitmaakt alsmede de bij de woning behorende gronden, te wijzigen in de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuin". Deze wijziging is er op gericht om de aanpassing of verandering van deze gebouwen, die hun agrarische functie hebben verloren, mogelijk te maken, teneinde deze geschikt te houden of beter geschikt te maken voor bewoning door niet-agrariërs.

2.6.1.    Ter zitting is vast komen te staan dat de bedrijfswoning van het beëindigde agrarisch bedrijf, dat was gevestigd op het perceel aan de Dorpsstraat 8, alsmede de gebouwen waarvan de bedrijfswoning inpandig deel uitmaakte, in januari 2005 zijn gesloopt. Eerst bij besluit van 24 mei 2005 is het wijzigingsplan door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het wijzigingsplan niet in overeenstemming is met de wijzigingsvoorwaarde uit het bestemmingsplan, inhoudende dat de bevoegdheid tot wijziging bestaat, uitsluitend indien sprake is van aanpassing of verandering van de bedrijfswoning van een beëindigd agrarisch bedrijf alsmede van de gebouwen waarvan deze bedrijfswoning inpandig deel uitmaakt. Van aanpassing of verandering van een bedrijfswoning, daaronder begrepen de gebouwen waarvan de bedrijfswoning deel uitmaakt alsmede de bij de woning behorende gronden, om deze geschikt te houden of beter geschikt te maken voor bewoning door niet-agrariërs, kan in het onderhavige geval immers geen sprake zijn, nu deze gebouwen reeds zijn gesloopt.

   Gezien de strijdigheid van het plan met voornoemde wijzigingsvoorwaarde uit het bestemmingsplan, behoeft het beroep van appellant voor het overige geen behandeling.

2.6.2.    Gelet op het vorenstaande is het wijzigingsplan vastgesteld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door het plan niettemin goed te keuren heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

   Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het wijzigingsplan.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 26 juli 2005, kenmerk DRM/ARB/05/5216A;

III.    onthoudt goedkeuring aan het plan;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

357-464.