Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV6239

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
22-03-2006
Zaaknummer
200507971/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Moordrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 februari 2005, het bestemmingsplan "Moordrecht-Dorpskern 2005" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/117
OGR-Updates.nl 1001203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200507971/1.

Datum uitspraak: 22 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2005 heeft de gemeenteraad van Moordrecht, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 februari 2005, het bestemmingsplan "Moordrecht-Dorpskern 2005" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 augustus 2005, kenmerk DRM/ARB/05/2451A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief gedateerd 15 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2005, en appellant sub 2 bij brief van 15 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 26 september 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2006, waar appellanten, beiden in persoon en bijgestaan door ir. J. Breedveld, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H. Kats, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is daar gehoord de gemeenteraad van Moordrecht, vertegenwoordigd door R. van den Bosch, medewerker van "Juridisch adviesburo L.B.C." en C.R.A. Ordelman, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet openbare uniforme voorbereidingsprocedure Algemene wet bestuursrecht en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Algemene wet bestuursrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Procedurele aspecten

2.2.    De beroepsgrond van appellanten, gericht tegen artikel 1, aanhef en onder 1 van de planvoorschriften, betreffende de titel van het bestemmingsplan, steunt niet op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

   De beroepen zijn dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3.    De beroepsgrond van [appellant sub 1], gericht tegen de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbepaling steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

2.4.    Appellanten hebben als formeel bezwaar aangevoerd dat in strijd met artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het besluit omtrent goedkeuring van gedeputeerde staten niet binnen twee weken na de bekendmaking daarvan, met het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie ter inzage is gelegd.

   Het bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het besluit.

Toetsingskader van de Afdeling

2.5.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

   Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

Het standpunt van appellanten

2.6.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbepaling voor het oprichten van één mast ten behoeve van telecommunicatie (GSM-mast).

Standpunt van verweerder

2.7.    Verweerder heeft artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het voorschrift goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen feiten.

2.8.1.    Het bestemmingsplan "Moordrecht-Dorpskern 2005" (hierna: het plan) voorziet in een planologische regeling ten behoeve van het centrumgebied van Moordrecht.

2.8.2.    Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders van Moordrecht bevoegd vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan, ten behoeve van het oprichten van ten hoogste één mast ten behoeve van telecommunicatie (GSM-mast) met een hoogte van niet meer dan 32,50 meter.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de vrijstelling slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden.

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen met inachtneming van de in het plan vervatte regelen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 3 juni 1996, no. H01.95.0265 (BR 1996, p. 897) heeft overwogen, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met dit artikel beoogd het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

   De in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, opgenomen vrijstellingsbevoegdheid kan weliswaar alleen worden toegepast ten behoeve van de oprichting van één GSM-mast met een hoogte van niet meer dan 32,50 meter, maar heeft betrekking op het gehele plangebied en alle planvoorschriften. Gelet op onder meer de hoogte van het na vrijstelling mogelijke bouwwerk kan niet ten aanzien van alle onderdelen van het plan gesteld worden dat met de vrijstellingsbevoegdheid slechts op ondergeschikte onderdelen kan worden afgeweken van het plan.

Het planvoorschrift is derhalve vastgesteld in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

   Door niettemin goedkeuring te verlenen aan artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijk Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

   Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften.

   Artikel 17

Het standpunt van appellanten

2.10.    Appellanten stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 17 van de planvoorschriften, waarin is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid, ten behoeve van de bouw van ten hoogste 15 woningen op het perceel [locatie].

   Appellanten voeren aan dat het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid misleidend is en leidt tot verminderde rechtsbescherming. Zij zijn van mening dat de maximaal toegestane hoogte en het toegestane bouwvolume vanuit stedenbouwkundig oogpunt onaanvaardbaar zijn. Voorts stellen zij dat ten onrechte voorschriften inzake het aantal parkeerplaatsen ontbreken.

   [appellant sub 1] voert aan dat de nieuwbouw op te korte afstand van zijn woning mag worden opgericht, hetgeen nadelige gevolgen zal hebben voor zon- en daglichttoetreding.

   [appellant sub 2] stelt te vrezen voor aantasting van zijn woongenot en privacy, onder meer omdat de bewoners van de nieuw te bouwen woningen zicht zullen hebben op zijn achtertuin.

Standpunt van verweerder

2.11.    Verweerder heeft het voorschrift niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening of het recht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

Vaststelling van de feiten

2.12.    Het plandeel waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft betreft het perceel [locatie] en heeft de bestemming "Maatschappelijke doeleinden".

2.12.1.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd om onder toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de bestemming "Maatschapppelijke doeleinden" van het op de kaart als zodanig begrensde gebied te wijzigen in de bestemming "Woondoeleinden" met dien verstande dat:

a. ten hoogste 15 woningen mogen worden geprojecteerd;

b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 10,5 meter;

c. de rooilijn op tenminste 3 meter afstand tot de openbare weg in acht wordt genomen;

d. op de begane grond de vestiging van maatschappelijke doeleinden is toegestaan;

e. de bepalingen van artikel 5 van overeenkomstige toepassing zullen zijn.

   Ingevolge het tweede lid, oefenen burgemeester en wethouders de in lid 1 bedoelde wijzigingsbevoegdheid uit met inachtneming van het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Ingevolge artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

2.12.2.    De woning van [appellant sub 1] ligt ten zuidwesten van het plandeel. De kortste afstand van de gevel van deze woning tot de in artikel 17, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften vermelde rooilijn bedraagt ongeveer 14 meter.

   Het perceel van [appellant sub 2] grenst aan het noordoosten van het plandeel.

2.12.3.    Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan, ten behoeve van afwijking van de voorgeschreven maten met betrekking tot de maximale (goot)hoogte van gebouwen en de maximale hoogte van bouwwerken

- geen gebouwen zijnde -, mits de afwijking ten hoogste 10% bedraagt.

   Met gebruikmaking van deze vrijstellingsbevoegdheid bedraagt de maximale bouwhoogte van de woningen op het plandeel 11,55 meter.

2.12.4.    Ingevolge artikel 5, tweede lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften mogen op de voor "Woondoeleinden " aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken - geen gebouwen zijnde - ten dienste van de aldaar genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat per bouwperceel, ten hoogste 60% van de gronden bebouwd mag worden met hoofdgebouwen, aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen, waarbij de totale grondoppervlakte van de aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan 40 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt.

   De totale grondoppervlakte van het plandeel bedraagt ongeveer 1000 m2, zodat hiervan na wijziging van de bestemming met toepassing van artikel 17 van de planvoorschriften ongeveer 600 m2 mag worden bebouwd.

2.12.5.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat bij een norm van 1,5 parkeerplaats per woning voor de nieuwbouw 23 parkeerplaatsen nodig zijn en tevens dient te worden voorzien in parkeergelegenheid ten behoeve van bezoekers van de maatschappelijke voorzieningen in de begane grond van de mogelijke nieuwbouw. Volgens verweerder biedt de oppervlakte van het plandeel dat niet zal worden bebouwd voldoende ruimte om het aantal benodigde parkeerplaatsen te realiseren.

Het oordeel van de Afdeling

2.13.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders volgens bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de waarborgen van de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen.

Juist met het oog hierop is in het tweede lid van het artikel bepaald dat het college van burgemeester en wethouders deze wijzigingsbevoegdheid zoveel mogelijk uitoefent in overleg met belanghebbenden.

   Uit het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat belanghebbenden bij het college van burgemeester en wethouders hun zienswijze over het ontwerp-wijzigingsplan kunnen indienen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat belanghebbenden bij gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders geen mogelijkheid tot inspraak hebben.

2.14.    Nu de grondoppervlakte van de met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijke nieuwbouw maximaal ongeveer 600 m2 bedraagt en de hoogte maximaal 11,55 meter, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke nieuwbouw niet zodanig afwijkend zal zijn van de reeds bestaande bebouwing in de Burgemeester Brandtstraat dat die vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is. Daarbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat de omstandigheid dat de gevel van de nieuwbouw ten opzichte van de bestaande bebouwing aan de noordkant van de straat ongeveer 3 meter naar voren komt een gevolg is van het verloop van de Burgemeester Brandtstraat ter hoogte van het desbetreffende perceel en de afstand van de gevel van de nieuwbouw niet dichterbij de openbare weg zal liggen dan de gevels van de reeds bestaande woningen.

   Nu de hoogte van de mogelijke nieuwbouw na vaststelling van het wijzigingsplan maximaal 11,55 meter bedraagt en de afstand van de voorgevel van de woning van [appellant sub 1] tot de in het wijzigingsplan te projecteren rooilijn voor de nieuwbouw 14 meter, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een eventueel verlies van zon- en daglichttoetreding in die woning zodanig beperkt is dat geen sprake zal zijn van een ernstige aantasting van het woongenot.

   De achtertuin van [appellant sub 2] grenst deels direct aan het perceel [locatie]. Hoewel de werkelijke afstand tussen de nieuwbouw en de tuin van [appellant sub 2] eerst bekend zal worden met het vaststellen van het wijzigingsbesluit is aannemelijk dat vanuit een aantal bouwlagen van de nieuwbouw zicht zal bestaan op een deel van die tuin. Voorts is aannemelijk dat dit leidt tot enige aantasting van de privacy van appellant bij verblijf in de tuin.

   Wat betreft het ontbreken van een voorschrift omtrent het aantal parkeerplaatsen overweegt de Afdeling dat verweerder in aanmerking heeft genomen dat uitgaande van het maximaal mogelijke aantal van 15 woningen maximaal 23 parkeerplaatsen voor de woningen noodzakelijk zijn en daarnaast de parkeerplaatsen ten behoeve van de maatschappelijke voorzieningen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in dit verband het aantal benodigde parkeerplaatsen onjuist heeft ingeschat. Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in het plandeel aanwezige ruimte voldoende is om het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de woningen en maatschappelijke voorzieningen te realiseren. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor parkeeroverlast ten gevolge van de nieuwbouw niet behoeft te worden gevreesd.

   Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de algemene belangen bij de in artikel 17 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbepaling zwaarder wegen dan de door appellanten gestelde belangen.

2.15.    Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 17 van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het voorschrift. De beroepen zijn op dit punt ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.16.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen artikel 1, aanhef en sub 1, van de planvoorschriften en het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften;

II.    verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 16 augustus 2005, kenmerk DRM/ARB/05/2451A, voor zover het de goedkeuring van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften betreft;

IV.    onthoudt goedkeuring aan het planonderdeel vermeld onder III;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het planonderdeel vermeld onder III;

VI.    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,87 (zegge: vierenvijftig euro en zevenentachtig cent) en bij appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,87 (zegge: vierenvijftig euro en zevenentachtig cent); de bedragen dienen door de provincie Zuid-Holland aan respectievelijk appellant sub 1 en sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 1 en € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor appellant sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto    w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006

325.