Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV5051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
15-03-2006
Zaaknummer
200506422/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft de gemeenteraad van Nunspeet, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2004, het bestemmingsplan "Partiële Herziening Bestemmingsplan De Brake (MFA en herziening 50 dB(A) etmaalwaardecontour)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506422/1.

Datum uitspraak: 15 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft de gemeenteraad van Nunspeet, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2004, het bestemmingsplan "Partiële Herziening Bestemmingsplan De Brake (MFA en herziening 50 dB(A) etmaalwaardecontour)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 24 mei 2005, no. RE2004.113971, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2005, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2006, waar appellanten, in de persoon van [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Nunspeet, vertegenwoordigd door ing. D. Jager, A. Arends en ing. P. Baas, ambtenaren van de gemeente. Verweerder is met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.1.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het bestemmingsplan "Partiële Herziening Bestemmingsplan De Brake (MFA en herziening 50dB(A) etmaalwaardecontour)" (hierna: het plan) voorziet onder meer in de verwezenlijking van een multifunctionele accommodatie (hierna: MFA) op het terrein van de voormalige verffabriek Veluvine aan de F.A. Molijnlaan.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (a)". Zij voeren hiertoe onder meer aan dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidsbelasting van de nabij gelegen wegen en dat de MFA mogelijk (deels) wordt opgericht op plaatsen met een hogere geluidsbelasting dan 50 dB(A). Voorts is in dit bestemmingsplan sprake van een verzwaring van de bestemming voor dit perceel ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan. Verder wordt volgens appellanten de wettelijke grenswaarde van 50 microgram per m³ voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) overschreden.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht. Verweerder stelt zich in navolging van de gemeenteraad op het standpunt dat in het kader van de bouwvergunningprocedure zal worden getracht te voorkomen dat geluidgevoelige bebouwing zal worden opgericht binnen de voorkeursgrenswaardecontour van 50 dB(A).

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    In het thans voorliggende plan is aan het plandeel de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (a)" toegekend. Tevens heeft een gedeelte van het plandeel de aanduiding "Representatief karakter".

   Ingevolge artikel 2 van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de voorschriften van het bestemmingsplan "Nunspeet-Oost" van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Nunspeet-Oost" zijn de op de plankaart als "Maatschappelijke voorzieningen" aangewezen gronden met de code M(a) bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen ter zake van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie, fysieke en geestelijke volksgezondheid en openbare en bijzondere dienstverlening;

b. (…);

c. bij een en ander behorende voorzieningen, zoals tuinen en parkeer- en groenvoorzieningen.

2.5.2.    In het vorige bestemmingsplan "De Brake" hadden de desbetreffende gronden de bestemming "Industriële doeleinden". Binnen deze bestemming waren bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende andere bouwwerken ten behoeve van handel en nijverheid, zoals opslag-, los- en laadplaatsen, parkeerplaatsen en tuinen toegestaan.

2.5.3.    Ingevolge artikel 77, aanhef en onder a, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh), voor zover thans van belang, wordt bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 van de Wgh, vanwege het college van burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar de geluidsbelasting die door geluidsgevoelige objecten binnen de zone, vanwege de weg zou worden ondervonden zonder de invloed van maatregelen die de geluidoverdracht beperken.

   Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wgh bevindt zich langs een weg een zone die aan weerszijden van de weg de volgende breedte heeft:

a. in stedelijk gebied:

1°. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;

2°. voor een  weg, bestaande uit een of twee rijstroken (….): 200 meter;

b. (…).

   Ingevolge artikel 74, tweede lid, van de Wgh geldt het eerste lid niet met betrekking tot:

a. wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;

b. wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.

   Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wgh, voor zover hier van belang, worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere gebouwen dan woningen of van andere geluidsgevoelige objecten binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden, voor zover hier van belang, in afwijking van het eerste lid, bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan hogere waarden in acht genomen, voor zover gedeputeerde staten voor de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan hogere waarden hebben vastgesteld.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, nemen gedeputeerde staten bij hun beslissing over de goedkeuring van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere gebouwen dan woningen of van andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone de waarden in acht, die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

   Het desbetreffende plandeel ligt (deels) in de geluidszone als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wgh van de F.A. Molijnlaan respectievelijk de Laan. Het plan voorziet in de oprichting van geluidsgevoelige objecten, te weten de in overweging 2.5.1. genoemde voorzieningen van onderwijs en van fysieke en geestelijke volksgezondheid, als bedoeld in artikel 4 van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    De Afdeling stelt vast dat appellanten ter zitting hun beroepsgronden, inhoudend dat zij niet tijdig voor de hoorzitting zijn uitgenodigd en dat zij geen ontvangstbevestiging hebben gekregen van de ingediende bedenkingen, hebben ingetrokken. Derhalve laat de Afdeling deze gronden buiten beschouwing.

   Ten aanzien van de grond dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op een aantal ingebrachte bedenkingen overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat verweerder de bezwaren samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

   Ten aanzien van het bezwaar van appellanten dat in het plan een zwaardere bestemming aan het perceel is toegekend dan in het vorige plan het geval was, overweegt de Afdeling dat, daargelaten de juistheid van deze stelling, in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt.

2.6.1.    Vast staat dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.5.3., (een deel van) het plangebied in de in artikel 74 van de Wgh bedoelde zone van de F.A. Molijnlaan en de Laan ligt. Gelet op het bepaalde in artikel 77, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 74 van de Wgh, dient voorafgaand aan de vaststelling van het plan een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten in de zone. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen onderzoek is gedaan naar de geluidsbelasting vanwege de voornoemde wegen inzake de totstandkoming van de MFA zoals in het plan is voorzien. De gemeenteraad heeft ter zitting gesteld dat een onderzoek van de geluidsbelasting van genoemde wegen bijna gereed is. Het door de gemeenteraad ingenomen standpunt dat aanvaardbaar is dat op een later tijdstip dan bij de voorbereiding van de vaststelling van het bestemmingsplan het aspect van de geluidsbelasting wordt onderzocht en beoordeeld, deelt de Afdeling niet, nu daarmee niet wordt voldaan aan het in overweging 2.5.3. beschreven wettelijke kader. Onder deze omstandigheden is thans niet duidelijk of de voorziene MFA (deels) binnen de voorkeursgrenswaardecontour van 50 dB(A) komt te liggen en of het geluidsniveau vanwege de voornoemde wegen derhalve tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan blijven. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de uit artikel 77 van de Wgh voortvloeiende verplichting tot het instellen van een akoestisch onderzoek bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, is miskend. Hieruit volgt dat het gemeentebestuur niet heeft voldaan aan de Wgh, zodat het plandeel in strijd met de wettelijke vereisten terzake is vastgesteld.

2.6.2.    Gelet op het vorenstaande is het plandeel in strijd met artikel 77 van de Wgh. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu rechtens slechts één beslissing mogelijk is, bestaat tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door goedkeuring te onthouden aan het plandeel. In verband hiermede bestaat geen aanleiding op de overige door appellanten aangevoerde argumenten met betrekking tot het plandeel in te gaan.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 24 mei 2005, RE2004.113971, voor zover het het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (a)" betreft;

III.    onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke voorzieningen (a)";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 32,37 (zegge: tweeëndertig euro en zevenendertig cent); het dient door de provincie Gelderland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekhoven    w.g. Van Onselen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006

178-500.