Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV5050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
15-03-2006
Zaaknummer
200506097/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Roerdalen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 december 2004, het bestemmingsplan "Sportlaan Herkenbosch" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200506097/1.

Datum uitspraak: 15 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft de gemeenteraad van Roerdalen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 december 2004, het bestemmingsplan "Sportlaan Herkenbosch" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 juni 2005, kenmerk 2005/28606, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 11 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op 12 juli 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 oktober 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dat is aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten. Dat is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2006, waar [gemachtigde] in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.J.M. Timmermans, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Roerdalen, vertegenwoordigd door drs. I.A.J. van Enckevort, ambtenaar der gemeente.

Buiten bezwaren van partijen is door de gemeenteraad van Roerdalen ter zitting een nader stuk in het geding gebracht. Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:

Awb), heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst.

Appellanten zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het nadere stuk van de gemeenteraad. De reactie van appellanten op dat nadere stuk is aan de andere partijen toegezonden.

Met toestemming voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb het onderzoek gesloten.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten voeren in beroep aan dat verweerder het plan ten onrechte heeft goedgekeurd voor zover dat voorziet in de vestiging van een zogenoemde brede school en in de aanleg van een ontsluitingsweg nabij hun woning.

Naar de stelling van appellanten ontbreekt een deugdelijke rapportage waaruit blijkt dat na uitvoering van het plan wordt voldaan aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. Voorts achten zij zich bij de aankoop en renovatie van hun woning vanwege de gemeente onjuist voorgelicht over het plan.

Een noodzaak voor de vestiging van de school in het plangebied is naar hun stelling niet aanwezig, omdat de school op de huidige locatie kan worden verbouwd. Daarnaast zijn alternatieve locaties niet dan wel onvoldoende onderzocht.

Verder achten zij het plan in strijd met de rijksnota wonen en met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: POL). Ook wordt aan het woongenot van omwonenden naar hun stelling op grove wijze afbreuk gedaan, doordat de Hoogstraat en de Sportlaan doorgaande wegen worden, geluidsoverlast vanwege de school(jeugd) en het verkeer zal optreden en het uitzicht vanuit hun woning zal verminderen doordat een groenstrook zal worden verwijderd.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder acht het plan - voor zover door appellanten bestreden - niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of met het recht en heeft het in zoverre goedgekeurd. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat de gronden in bestaand stads- en dorpsgebied liggen, zodat het volgens verweerder aanvaardbaar is dat de gemeenteraad het gebied gebruikt voor een invulling als hier aan de orde. Hij wijst erop dat vanwege de gemeente onderzoek heeft plaatsgevonden naar potentiële locaties voor de brede school, waaruit het plangebied als meest gewenste locatie naar voren is gekomen. Bovendien is, aldus verweerder, de brede school voorzien aan de noordwestelijke zijde van het plangebied, terwijl de woning van appellanten aan de zuidoostelijke zijde staat. Verweerder acht de stedenbouwkundige randvoorwaarden passend. De ontsluitingsweg zal geen hoofdverkeersader worden, maar vooral een functie voor bestemmingsverkeer vervullen, aldus verweerder. Ten slotte kunnen naar zijn stelling aan een bestaand vrij uitzicht vanuit de woning geen blijvende rechten worden ontleend.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Het plan voorziet in een herinrichting van het terrein van de gemeentelijke sportvelden en het aangrenzende speeltuinterrein met 50 vrijstaande of halfvrijstaande woningen bij recht en 6 woningen na uitwerking van het plan en in de vestiging van een zogenoemde 'brede school'. Daartoe zijn de gronden in het plan bestemd als "Woondoeleinden -W-", "Woondoeleinden uit te werken -WU-" respectievelijk "Maatschappelijke doeleinden -M-".

2.5.2.    Ingevolge artikel 6 van de voorschriften bij het plan zijn de gronden met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden -M-" bestemd voor onderwijsdoeleinden, sociaal-culturele doeleinden, sportdoeleinden, groenvoorzieningen, verkeersvoorzieningen en doeleinden van openbaar nut.

De plantoelichting vermeldt dat op die gronden, op de hoek van de Europalaan-Oost en de Sportlaan, zal worden gevestigd: een basisschool (15 groepen), een kindercentrum (kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en peuterspeelzaal), een gymzaal, een ruimte voor de gemeenschapsfunctie en een speelterrein. De 'brede school' zal overdag met name een educatieve functie en in de avonduren een sociaal-culturele- en sportfunctie vervullen. Realisering van een brede school op de huidige locatie is volgens de plantoelichting niet mogelijk en een onderzoek naar alternatieve locaties, dat als bijlage bij het plan is gevoegd, heeft de gemeenteraad doen besluiten de school op de voorziene locatie te vestigen.

Voor de ontsluiting van de woningen op het voormalige sportveldterrein zal parallel aan de Sportlaan een nieuwe weg worden aangelegd van de Europalaan-Oost naar de Hoogstraat, tegenover de woning van appellanten. Op deze weg zal een maximumsnelheid van 30 km/uur gelden en deze zal evenals de overige wegen binnen het plangebied als verblijfsgebied worden ingericht.

Het in artikel 3, eerste lid van de planvoorschriften opgenomen beeldkwaliteitsplan "Sportlaan" vermeldt dat de parkeerplaats en de aansluitende groengordel aan de Hoogstraat bij de planontwikkeling worden betrokken. In dat deel van het plangebied zullen de groenopstanden moeten worden verwijderd.

2.5.3.    De plantoelichting vermeldt als planologisch kader onder meer de Nota "Mensen, Wensen, Wonen" (mei 2004) waarin het kabinet zijn visie op het wonen in de 21e eeuw heeft neergelegd. De nota stelt de burger centraal in het woonbeleid om diens woonwensen beter te bedienen. De kernthema's van de nota zijn: meer zeggenschap voor burgers over woning en woonomgeving; kansen scheppen voor mensen in kwetsbare posities; maatwerk in wonen voor mensen die zorg nodig hebben; kwaliteit van wonen in steden vergroten; meer ruimte voor 'groene' woonwensen.

2.5.4.    Het provinciaal ruimtelijk beleid neergelegd in het POL vermeldt als een hoofdlijn van beleid de instandhouding van een vitaal landelijk gebied met dorpen van voldoende dynamiek om een goed woon- en leefklimaat te bieden.

2.5.5.    Aan het plan ligt een akoestisch onderzoek ten grondslag dat als bijlage bij het plan is gevoegd. Daarin wordt geconcludeerd dat vestiging van de 'brede school', ook in de incidentele bedrijfssituaties (concert van de plaatselijke harmonie, carnavalszitting, kerstspel, e.d.), voldoet aan de normen van de Wet geluidhinder. De totale gemiddelde geluidsproductie (inclusief spelende kinderen) ter plaatse van woningen bedraagt volgens dit onderzoeksrapport 50 dB(A). De geluidsbelasting vanwege het verkeer van en naar de brede school op de openbare weg bedraagt volgens dit rapport ten hoogste 48 dB(A).

2.5.6.    Met betrekking tot de luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied wordt in de plantoelichting gesteld dat binnen de gemeente geen indicatie aanwezig is dat de luchtkwaliteit niet voldoet aan de in het Besluit luchtkwaliteit gestelde grenswaarden. Op het bedrijventerrein dat op ongeveer 1.350 meter ligt, staan, aldus de plantoelichting, geen bedrijven die een zodanige emissie van de in het Besluit luchtkwaliteit opgenomen stoffen kunnen bewerkstelligen, dat de luchtkwaliteit ter hoogte van het plangebied niet aan de grenswaarden voldoet. Ook de provinciale weg N570, de Keulsebaan, die op 200 meter van het plangebied ligt, zal gezien deze afstand en de verkeersintensiteit van deze weg, de concentratie van stikstofdioxide in de lucht ter hoogte van het plangebied de grenswaarde niet doen overschrijden.

2.5.6.1.    Bij brief van 2 november 2005 heeft verweerder desgevraagd een nadere toelichting van het gemeentebestuur ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit toegezonden. Volgens die toelichting bedragen de in 2003 gemeten waarden in het plangebied:

35 tot 40 microgram per kubieke meter lucht voor fijn stof (PM10) en minder dan 30 microgram voor stikstofdioxide (NO2). De voor 2010 verwachte waarde voor NO2 bedraagt minder dan 30 microgram en voor PM10 30 tot 35 microgram. Daarmee voldoet, aldus deze toelichting, de luchtkwaliteit boven het plangebied aan de grenswaarden zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit. In dat verband is nog opgemerkt dat de ontsluitingsweg Europalaan-Oost met een verkeersintensiteit van 1.000 verkeersbewegingen per etmaal eind 2005 is afgesloten voor motorverkeer van en naar de 200 meter verderop gelegen provinciale weg N570 en dat daardoor het aantal verkeersbewegingen op deze weg fors zal afnemen. De Sportlaan en de Hoogstraat hebben als buurtontsluitingswegen, aldus de nadere toelichting, een lagere verkeersintensiteit en hebben daarom geen relevante invloed op de genoemde waarden.

2.5.6.2.    Ter zitting heeft de gemeenteraad van Roerdalen het onderzoeksrapport van de Plangroep Heggen te Born van 25 januari 2006 getiteld "Notitie Luchtkwaliteit BP Sportlaan" overgelegd. In deze notitie zijn berekeningen opgenomen van onder meer de concentraties aan NO2 en PM10 bij de Hoogstraat te Herkenbosch en bij de provinciale weg N570. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens het zogenoemde CAR II-model voor de jaren 2005, 2010 en 2015. Daarbij is gerekend met en zonder de bijkomende extra verkeersstroom als gevolg van het plan. Volgens deze berekeningen bedraagt de jaargemiddelde concentratie NO2 nabij de Hoogstraat ten hoogste 23 microgram per m³ en nabij de N570 ten hoogste 28 microgram per m³. De grenswaarde van de uurgemiddelde concentratie voor stikstofdioxide wordt in alle situaties niet overschreden. De jaargemiddelde concentratie PM10 is volgens deze berekeningen nabij de Hoogstraat ten hoogste 30 microgram per m³ en nabij de N570 ten hoogste 31 microgram per m³. De grenswaarde van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie PM10 wordt volgens deze berekeningen nabij de Hoogstraat ten hoogste 30 maal per kalenderjaar overschreden en ten hoogste 34 maal nabij de N570.

2.5.7.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 - welk besluit met terugwerkende kracht tot 4 mei 2005 in werking is getreden - (hierna: Blk 2005) nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

   Ingevolge artikel 15 van het Blk 2005 gelden voor de bescherming van de gezondheid van de mens voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden: 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

   Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden: 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie en 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Tussen partijen is niet in geschil dat het plangebied binnen de bebouwde kom van het dorp Herkenbosch ligt. Verder zijn een school, een kinderopvang en een gemeenschapsruimte gebruikelijke voorzieningen voor een vitaal dorp. Ook heeft de gemeenteraad in redelijkheid de keuze kunnen maken die voorzieningen, die thans gedeeltelijk en in beperktere mate gedecentraliseerd binnen het dorp voorkomen, in de vorm van een zogenoemde brede school op één locatie te vestigen. Het standpunt van verweerder dat vestiging van de 'brede school' binnen het plangebied niet in strijd is met het provinciaal beleid, is derhalve niet onjuist of onredelijk.

De vestiging van de 'brede school' behoefde verweerder evenmin in strijd te achten met de rijksvisie op wonen, die aan het plan ten grondslag is gelegd. Die visie heeft niet ten doel de burger de plaats van scholen en dergelijke te laten bepalen, maar wil richting geven aan veranderingen in het woningbouwbeleid.

Verder bieden de plantoelichting en het beeldkwaliteitsplan "Sportlaan", dat deel uitmaakt van het plan, voldoende aanknopingspunten voor de juistheid van het oordeel dat aantasting van het woongenot van omwonenden zoveel mogelijk wordt voorkomen. De Sportlaan, de Hoogstraat en de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg zullen, anders dan appellanten stellen, geen hoofdwegen worden, maar ingericht blijven dan wel worden voor bestemmingsverkeer.

Voorts volgt uit het hiervoor onder 2.5.5. vermelde akoestisch onderzoek dat de vestiging van de brede school binnen de normen van de Wet geluidhinder zal blijven. Appellanten hebben de juistheid van de resultaten van dit onderzoek niet betwist, noch is de Afdeling gebleken dat dit rapport onjuiste conclusies zou bevatten of op onjuiste wijze tot stand zou zijn gekomen.

De vermindering van uitzicht vanuit de woning van appellanten doordat een groenstrook zal worden verwijderd voor de uitvoering van het plan, heeft verweerder ten slotte niet van doorslaggevend belang behoeven te achten. Verweerder stelt terecht dat aan een vrij uitzicht geen blijvende rechten kunnen worden ontleend.

De stelling van appellanten dat zij bij de aankoop van hun woning door een ambtenaar van de gemeente onjuist zijn voorgelicht over de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied - wat daar ook van zij - leidt niet tot de conclusie dat het bestreden besluit onrechtmatig is.

2.7.    Het betoog van appellanten dat aan het plan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt waaruit blijkt dat het plan voldoet aan de Europese normen voor luchtkwaliteit, begrijpt de Afdeling aldus dat het plan niet voldoet aan de grenswaarden als gesteld in het Blk 2005.

2.7.1.    Verweerder en de gemeenteraad hebben ter zitting betoogd dat deze beroepsgrond van appellanten buiten beschouwing dient te worden gelaten dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze eerst in beroep is aangevoerd en niet steunt op een bij verweerder ingebrachte bedenking en een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit betoog faalt. Deze beroepsgrond van appellanten moet worden beschouwd als een nadere onderbouwing van hun reeds eerder tegen de in geding zijnde planonderdelen ingebrachte bezwaren en vinden daarin hun grondslag.

2.7.2.    Het onder 2.5.6.2. vermelde onderzoeksrapport bevestigt de juistheid van het in de plantoelichting neergelegde - op summier onderzoek gebaseerde - standpunt dat uitvoering van het plan niet zal leiden tot overschrijding van de grenswaarden als gesteld in het Blk 2005. Appellanten hebben in hun reactie op dit onderzoeksrapport de uitkomsten van dit rapport betwist. In hetgeen appellanten in hun reactie hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van de uitkomsten van dit onderzoek te twijfelen. De Afdeling merkt op dat de door appellanten overgelegde delen uit een rapport van het Energieonderzoek Centrum Nederland te Petten getiteld "Referentieramingen energie en emissies 2005-2020" zien op de ontwikkeling van deze emissies boven Nederland als geheel maar geen inzicht bieden in de luchtkwaliteit boven het plangebied. Niet is gebleken dat het in 2.5.6.2. genoemde onderzoeksrapport onjuiste uitgangspunten hanteert of innerlijk tegenstrijdig is. Het betoog van appellanten kan daarom niet slagen.

2.8.    Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Overigens is voordat het plan is vastgesteld vanwege de gemeente een studie uitgevoerd naar alternatieve locaties voor de brede school, op basis waarvan de gemeenteraad heeft besloten de brede school te situeren in het plangebied. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich in dit geval geen ernstige bezwaren tegen de gekozen locatie voordoen.

2.9.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Nolles

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006

291-516.