Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AV5041

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
15-03-2006
Zaaknummer
200505249/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend aan de Naamloze Vennootschap "Orange Nederland N.V." (hierna: vergunninghoudster) voor het plaatsen van een gsm-antenne-installatie op het perceel Jan van Nassaustraat 124-133 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2006/131 met annotatie van B. Rademaker
Module Vastgoed en wonen 2006/350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200505249/1.

Datum uitspraak: 15 maart 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    Stichting Stedebouw en Stadsherstel, gevestigd te 's-Gravenhage,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2890 van de rechtbank

's-Gravenhage van 25 mei 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) vrijstelling en een lichte bouwvergunning verleend aan de Naamloze Vennootschap "Orange Nederland N.V." (hierna: vergunninghoudster) voor het plaatsen van een gsm-antenne-installatie op het perceel Jan van Nassaustraat 124-133 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 juli 2004 heeft het college het daartegen door appellante sub 1 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het daartegen door appellant sub 2 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2005, verzonden op 27 mei 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellante sub 1 en appellant sub 2 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 16 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Appellanten hebben hun hoger beroep aangevuld bij brieven van 19 juli 2005 en 29 juli 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 augustus 2005 heeft vergunninghoudster, die op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen aan het geding, een reactie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2006, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [bestuurslid], appellant sub 2 in persoon, bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Süslü en mr. C. J. Lina, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door M.G.J.C. Willems, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante sub 1 betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betoog betreft een herhaling van hetgeen zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellante sub 1 niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt, zodat het college haar bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor zover appellante sub 1 betoogt dat zij de intentie heeft terug te keren naar het perceel, is de Afdeling van oordeel dat dit een toekomstige onzekere gebeurtenis is en appellante sub 1 dan ook geen actueel en rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit.

2.2.    Het betoog van appellant sub 2, dat het door het college verleende mandaatbesluit niet geldig is, heeft hij eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep gericht is tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en appellant dit uit het oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen omwille van de rechtszekerheid van de andere partij omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

2.3.    Het reeds gerealiseerde bouwplan ziet op de bouw van een gsm-antenne-installatie (hierna: de installatie) met hoogte van 5 meter, een bruto-vloeroppervlakte van 3m² en een inhoud van 2m³, gesitueerd op het dak van het op het perceel aanwezige gebouw met een hoogte van circa 18 tot 20 meter.

2.4.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met de voorschriften uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan of met eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

   Ingevolge artikel 44, derde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, is op de lichte bouwvergunning het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, voor zover hier van belang, wordt behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 5 als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet voorts aangemerkt het bouwen van een antenne-installatie ten behoeve van de mobiele telecommunicatie.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b van het Bblb is een lichte bouwvergunning voorts vereist voor het bouwen, bedoeld in artikel 3, indien dat plaatsvindt in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de Monumentenwet 1988.

   Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder f, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een antenne-installatie als bedoeld in het Bblb, in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40 meter.

2.5.    Niet in geschil is dat de installatie, nu deze in een beschermd stadsgezicht is geplaatst, een licht-bouwvergunningplichtig bouwwerk is. Tevens is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Benoordenhout", zodat vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO is vereist.

2.6.    Appellant sub 2 betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning heeft kunnen overgaan. Hij stelt hiertoe dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de niet-thermische effecten van gsm-straling op de gezondheid.

2.6.1.    Dit betoog faalt. Het college heeft zich ten aanzien van mogelijke gezondheidsrisico's als gevolg van het bestreden besluit gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad van 29 juni 2000. Uit voornoemd advies blijkt dat de aanwezigheid van gsm-antennes niet leidt tot verhoogde gezondheidsrisico's. Vast staat dat de Gezondheidsraad een ter zake deskundige instantie is. Gesteld noch gebleken is dat het advies van de Gezondheidsraad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en/of inhoudelijk onjuist is, zodat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat het college in de door appellant sub 2 geuite vrees voor gezondheidsrisico's aanleiding had moeten vinden de gevraagde vrijstelling te weigeren. De door appellant sub 2 in dit verband overgelegde stukken doen aan het voorgaande niet af, nu deze niet als een tegenadvies van een terzake deskundige kunnen worden aangemerkt.

2.6.2.    Ook in hetgeen appellant sub 2 voorts betoogt wordt geen grond gezien voor het oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu uit het in het dossier aanwezige verslag van de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie blijkt dat appellant sub 2 is gehoord en zijn bezwaren zijn meegenomen bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Zijn betoog dat het college dit heeft nagelaten faalt derhalve.

2.7.    Tot slot betoogt appellant sub 2 dat het college geen onderzoek heeft verricht naar alternatieve locaties. Dit betoog treft geen doel. Het college heeft in beginsel te beslissen omtrent het bouwplan, zoals dat is ingediend. Verder is door appellant sub 2 niet onderbouwd dat elders een gelijkwaardig resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat vergunninghoudster voorafgaande aan de indiening van de aanvraag diverse alternatieve locaties heeft onderzocht, waaronder de door appellant sub 2 bedoelde Paschaliskerk, maar dat deze alternatieven niet voldeden omdat ze te dicht bij een reeds bestaande antenne-installatie waren gelegen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2006

328-503.